archiveren

Tagarchief: vergeving

Uit: “Inleiding tot Een cursus in wonderen” – Kenneth Wapnick:

“Vergeving kan dus in drie fundamentele stappen worden samengevat.
De eerste stap is dat ik onderken dat het probleem niet
buiten me is, op dat scherm. Het probleem zit vanbinnen, in mijn
film. In de eerste stap geef ik te kennen dat mijn woede niet gerechtvaardigd
is, hoewel mijn woede me altijd voorhoudt dat het
probleem buiten me ligt, bij jou, en dat jij moet veranderen zodat
ik niet hoef te veranderen. Kortom: de eerste stap betekent dat het
probleem niet buiten me ligt, maar daarentegen in mij zit. Deze stap
is zo wezenlijk om dat God het Antwoord op het probleem van de
afscheiding in ons binnenste heeft neergelegd: de Heilige Geest is
niet buiten ons, de Heilige Geest is in ons, in onze denkgeest. Door
vol te houden dat het probleem buiten ons ligt – en dat gebeurt bij
projectie altijd – houden we het probleem weg van het antwoord.
En dat is precies wat het ego wil, want wanneer het probleem wordt
beantwoord door de Heilige Geest, houdt het ego op te bestaan.
Dus het ego is heel doortrapt en subtiel als het erom gaat ons te
doen geloven dat het probleem buiten ons ligt, of dat nu in een ander
mens is – ouders, leraren, vrienden, partners, kinderen, de ministerpresident
– of in de aandelenmarkt, het weer of in God Zelf. We zijn
er allemaal uitermate bedreven in het probleem te zien waar het niet
is, zodat de oplossing gescheiden kan blijven van het probleem. In
het Werkboek staan twee lessen die dat heel duidelijk maken, namelijk
les 79 en les 80: ‘Laat me het probleem zien, zodat het kan
worden opgelost’ en ‘Laat me zien dat mijn problemen zijn opgelost.’
Er is maar één probleem en dat is het geloof in de afscheiding zelf,
oftewel het probleem van schuld, en dat zit altijd vanbinnen, niet
buiten je. De eerste stap van vergeving is dus, zoals gezegd, dat ik
erken dat het probleem niet in jou zit; het probleem zit in mij. De
schuld ligt niet in jou, de schuld ligt in mijzelf. Het probleem zit niet
op het scherm waarop ik het projecteerde, het zit in de film in mijn
binnenste en dat is een film van schuld.

Dan komt de tweede stap, en dat is de moeilijkste. Het is een stap
die we koste wat het kost willen zien te vermijden. We moeten nu
iets doen aan die film, dat wil zeggen: we moeten iets doen aan onze
eigen schuld. Ik wil benadrukken dat juist dat de reden is dat we tot
het uiterste gaan om die woede en aanval te rechtvaardigen en in
stand te houden; juist dat is de reden dat we de wereld willen blijven
zien als opgesplitst in goed en slecht. Zolang we dat doen kunnen
we die tweede stap vermijden, want bij de tweede stap zien we onze
eigen schuld en al onze gevoelens van zelfhaat onder ogen.
Bij de eerste stap erken ik dat mijn woede niets anders is dan de
beslissing mijn schuld te projecteren. Maar bij de tweede stap erken
ik dat de schuld zelf óók een beslissing vertegenwoordigt. De
schuld symboliseert de beslissing mijzelf als schuldig in plaats van
als schuldeloos te zien. In plaats daarvan moet ik onderkennen dat
ik een Zoon van God ben in plaats van een zoon van een ego; dat
mijn ware Thuis niet in deze wereld is maar dat mijn ware Thuis
eerder in God is. Dat kunnen we pas als we onze schuld onder ogen
zien en de uitspraak doen dat dit niet is wat we werkelijk zijn. En die
uitspraak kunnen we niet doen zolang we niet eerst iemand anders
aanzien en zeggen: ‘Jij bent niet wat ik van jou gemaakt heb. Je bent
in wezen wat God geschapen heeft .’
Er staan een paar heel indringende passages in de Cursus die beschrijven
hoe vreselijk beangstigend deze tweede stap is. Het komt
vaak voor dat mensen, vooral de eerste keren dat ze Een cursus in wonderen
inkijken, het verkeerde idee hebben dat het allemaal mooi
en makkelijk is. De Cursus kan je op het verkeerde been zetten als
je niet oplet. Op het ene niveau wordt er gezegd hoe eenvoudig het
is, hoe we in feite allemaal ‘thuis zijn in God, en dromen van ballingschap’
(T10.I.2:1) en hoe al die stappen in een ogenblik genomen
kunnen worden, louter door ons denken te veranderen, enzovoort.
Dan kan het dus gebeuren dat we die passages lezen en al die andere
passages maar vergeten, waarin er sprake is van de verschrikkelijke
angst die dat proces oproept: het onbehagen, de weerstand en
het conflict dat ontstaat wanneer we deze stappen zetten waarin we
onze schuld onderhanden nemen.
Niemand kan het ego loslaten zonder eerst zijn of haar eigen
schuld en angst aan te pakken, want dat is het ego. In het evangelie
zei Jezus: ‘Wie zijn kruis niet opneemt en mij niet volgt, kan mijn
volgeling niet zijn!’ (Matth. 10:38; Mk 8:34; Lk 14:27). Dan spreekt
hij dus hierover. Je kruis opnemen wil zeggen dat je iets doet aan je
eigen schuld en angst en daarmee het ego transcendeert. Je kunt dat
proces met geen mogelijkheid doorlopen zonder moeilijkheden en
pijn. Let op: dat is niet Gods Wil voor ons; het is onze eigen wil. Wij
zijn degenen die schuld in het leven hebben geroepen, dus voordat
we die kunnen loslaten moeten we hem onder ogen zien en dat kan
heel pijnlijk zijn. Er zijn twee plaatsen waar juist dit proces en de
hoeveelheid angst die dat met zich meebrengt beschreven wordt:
de lessen 170 en 196 ( WdI.170; WdI.196.9-12). Ook in ‘De twee werelden’
in de tekst (T18.IX.3) gaat het over de ogenschijnlijk gruwelijke
beklemming waar we doorheen moeten en de verschrikkingen
die gepaard gaan met het verwerken van deze vrees voor God. Dit
is het laatste obstakel voor vrede en daar ligt onze schuld het diepst
begraven.

Dus de tweede stap bestaat in feite uit de bereidheid onze schuld
onder ogen te zien en durven zeggen dat het een uitvinding is van
onszelf, erkennen dat de schuld geen symbool is voor Gods geschenk
aan ons maar voor de beslissing onszelf te zien zoals God ons niet
geschapen heeft. Dat wil zeggen dat we onszelf zien als kind van
schuld en niet als kind van liefde. Een cursus in wonderen benadrukt
heel duidelijk dat wij, omdat we degenen zijn die de schuld gemaakt
hebben, niet degenen zijn die hem ongedaan kunnen maken. Om
dat te kunnen doen hebben we hulp nodig die van buiten het ego
komt. Die hulp is de Heilige Geest. En de enige keuze die we hebben
is de Heilige Geest uit te nodigen het denksysteem van het ego te
corrigeren en de schuld van ons weg te nemen. Dat is de derde stap.
Bij de tweede stap zeggen we in feite tegen de Heilige Geest: ‘Ik wil
mezelf niet langer als schuldig zien; neem dat alstublieft van me weg’.

De derde stap is aan de Heilige Geest en hij neemt de schuld weg,
eenvoudig omdat hij die in feite al weggenomen heeft . Het enige
probleem is dat wij dat moeten aanvaarden.

Samenvattend: de eerste stap maakt de geprojecteerde woede ongedaan
door te zeggen dat het probleem niet buiten me ligt, maar
in me. De tweede stap maakt duidelijk dat het probleem dat in me
zit een probleem van eigen makelij is en dat ik het nu niet meer wil.
De derde stap volgt wanneer ik het heb overgedragen aan de Heilige
Geest en Hij het probleem van me wegneemt.”

Opmaak test6

Er is nooit GEEN innerlijke stem. Het scheelt maar een “G” in deze dubbele ontkenning, maar deze is van essentieel belang. Het verschil tussen onjuist gericht denken (ego) en juist gericht denken (HG/J).
Het zogenaamde “horen” van een innerlijke stem is totaal niet bijzonder laat staan speciaal.
Waarom niet? Omdat “we” altijd een innerlijke stem horen. We kunnen niets anders dan een innerlijke stem horen, omdat niet het lichaam hoort, maar de denkgeest (mind).

We denken dat  als we een innerlijke stem horen dat wel van de heilige geest oftewel van onze juist gerichte denkgeest moet komen, alsof de stem van het ego niet uit de denkgeest komt, maar vanuit een lichaam (de onjuist gerichte denkgeest).

Dat komt omdat het ego denksysteem een manier heeft gevonden om te verbergen dat er alleen denkgeest is en dat alles uit denkgeest komt. En die manier is de ego gedachte, welke altijd een gedachte van afscheiding is, achter een scherm van vergetelheid verstopt door de gedachte te projecteren buiten de denkgeest en deze projecties als oorzaak en gevolg te zien, waardoor de werkelijke bron, de denkgeest geheel uit de aandacht verdwijnt.

Nu is het niet zo dat als we beslissen dat we vanaf nu alleen naar de juist gerichte denkgeest (HG/J denkgeest) willen luisteren het lichaam en zijn zogenaamde ervaringen moeten ontkennen, dat zou immers het ontkennen van de egodenkgeest zijn, want daar komen die projecties en zogenaamde ervaringen vandaan. En als we de egodenkgeest ontkennen en afdoen met “oh, het zijn maar illusies” dan ontnemen we onze kans om deze egogedachtes te herkennen en te zien.

De beslissing om vanaf nu alleen nog maar te luisteren naar onze juist gerichte gedachtes (HG/J denkgeest) houdt juist in dat we eerst kijken zonder oordeel, zonder ze te veroordelen dus, naar al onze onjuist gerichte gedachtes, alle gedachtes van afscheiding (ego denkgeest), zodat we de andere keuze kunnen maken en ware vergeving (WdII.1. Wat is vergeving?) erop toe kunnen passen.
Dat is het lange, eenvoudige, maar niet makkelijke leerproces van ECIW.

Dus hoe dan ook we horen altijd een innerlijke stem een stem afkomstig van onze keuze voor egodenkgeest of voor de keuze van HG/J denkgeest. Waarbij de keuze voor egodenkgeest altijd vanuit het lichaam lijkt te komen, omdat vergeten moet worden dat er alleen denkgeest is, en dat bij de keuze voor HG/J denkgeest altijd herinnerd wordt dat die keuze vanuit de denkgeest komt en via vergeving terug gegeven kan worden aan de juist gerichte denkgeest.

En natuurlijk kan een gedachte ook meteen vanuit HG/J denkgeest komen, maar ga er maar vanuit dat elke gedachte eerst vanuit egodenkgeest komt, en dit herkend dient te worden alvorens opnieuw de keuze te maken, maar nu voor HG/J denkgeest.

Hoe herken ik dit? Als een gedachte niet 100% vredig is en 100% (ver)oordeelloos is komt de gedachte 100% zeker vanuit de keuze voor het egodenken en is de enige juiste stap, de gedachte herkennen, terug te nemen naar de bron de denkgeest en opnieuw te kiezen voor HG/J denkgeest en te vergeven.

Zo verloopt het leerproces van ECIW, het stap voor stap (gedachte voor gedachte) terug herinneren in de juist gerichte denkgeest (HG/J denkgeest) een (vele) levenslang leerproces dat onvermijdelijk is of men nu wel of niet bezig is met een zgn spiritueel pad.
Want de afscheiding heeft nooit werkelijk plaatsgevonden en is slechts een nietig dwaas idee van de denkgeest die even dacht dat deze afgescheiden kon zijn van Éénheid, God, Liefde of hoe je het onnoembare ook mag noemen. En dat ene nietig dwaas idee herhaalt zichzelf bij iedere volgende gedachte. En wat anders kan deze vergissing terugdraaien dan ware vergeving, welke ziet dat er in werkelijkheid niets gebeurt is dat afscheiding van Één mogelijk zou kunnen maken?

Uit: “Inleiding tot Een cursus in wonderen” – Kenneth Wapnick:

“Vergeving kan dus in drie fundamentele stappen worden samengevat.
De eerste stap is dat ik onderken dat het probleem niet
buiten me is, op dat scherm. Het probleem zit vanbinnen, in mijn
film. In de eerste stap geef ik te kennen dat mijn woede niet gerechtvaardigd
is, hoewel mijn woede me altijd voorhoudt dat het
probleem buiten me ligt, bij jou, en dat jij moet veranderen zodat
ik niet hoef te veranderen. Kortom: de eerste stap betekent dat het
probleem niet buiten me ligt, maar daarentegen in mij zit. Deze stap
is zo wezenlijk om dat God het Antwoord op het probleem van de
afscheiding in ons binnenste heeft neergelegd: de Heilige Geest is
niet buiten ons, de Heilige Geest is in ons, in onze denkgeest. Door
vol te houden dat het probleem buiten ons ligt – en dat gebeurt bij
projectie altijd – houden we het probleem weg van het antwoord.
En dat is precies wat het ego wil, want wanneer het probleem wordt
beantwoord door de Heilige Geest, houdt het ego op te bestaan.
Dus het ego is heel doortrapt en subtiel als het erom gaat ons te
doen geloven dat het probleem buiten ons ligt, of dat nu in een ander
mens is – ouders, leraren, vrienden, partners, kinderen, de ministerpresident
– of in de aandelenmarkt, het weer of in God Zelf. We zijn
er allemaal uitermate bedreven in het probleem te zien waar het niet
is, zodat de oplossing gescheiden kan blijven van het probleem. In
het Werkboek staan twee lessen die dat heel duidelijk maken, namelijk
les 79 en les 80: ‘Laat me het probleem zien, zodat het kan
worden opgelost’ en ‘Laat me zien dat mijn problemen zijn opgelost.’
Er is maar één probleem en dat is het geloof in de afscheiding zelf,
oftewel het probleem van schuld, en dat zit altijd vanbinnen, niet
buiten je. De eerste stap van vergeving is dus, zoals gezegd, dat ik
erken dat het probleem niet in jou zit; het probleem zit in mij. De
schuld ligt niet in jou, de schuld ligt in mijzelf. Het probleem zit niet
op het scherm waarop ik het projecteerde, het zit in de film in mijn
binnenste en dat is een film van schuld.

Dan komt de tweede stap, en dat is de moeilijkste. Het is een stap
die we koste wat het kost willen zien te vermijden. We moeten nu
iets doen aan die film, dat wil zeggen: we moeten iets doen aan onze
eigen schuld. Ik wil benadrukken dat juist dat de reden is dat we tot
het uiterste gaan om die woede en aanval te rechtvaardigen en in
stand te houden; juist dat is de reden dat we de wereld willen blijven
zien als opgesplitst in goed en slecht. Zolang we dat doen kunnen
we die tweede stap vermijden, want bij de tweede stap zien we onze
eigen schuld en al onze gevoelens van zelfhaat onder ogen.
Bij de eerste stap erken ik dat mijn woede niets anders is dan de
beslissing mijn schuld te projecteren. Maar bij de tweede stap erken
ik dat de schuld zelf óók een beslissing vertegenwoordigt. De
schuld symboliseert de beslissing mijzelf als schuldig in plaats van
als schuldeloos te zien. In plaats daarvan moet ik onderkennen dat
ik een Zoon van God ben in plaats van een zoon van een ego; dat
mijn ware Thuis niet in deze wereld is maar dat mijn ware Thuis
eerder in God is. Dat kunnen we pas als we onze schuld onder ogen
zien en de uitspraak doen dat dit niet is wat we werkelijk zijn. En die
uitspraak kunnen we niet doen zolang we niet eerst iemand anders
aanzien en zeggen: ‘Jij bent niet wat ik van jou gemaakt heb. Je bent
in wezen wat God geschapen heeft .’
Er staan een paar heel indringende passages in de Cursus die beschrijven
hoe vreselijk beangstigend deze tweede stap is. Het komt
vaak voor dat mensen, vooral de eerste keren dat ze Een cursus in wonderen
inkijken, het verkeerde idee hebben dat het allemaal mooi
en makkelijk is. De Cursus kan je op het verkeerde been zetten als
je niet oplet. Op het ene niveau wordt er gezegd hoe eenvoudig het
is, hoe we in feite allemaal ‘thuis zijn in God, en dromen van ballingschap’
(T10.I.2:1) en hoe al die stappen in een ogenblik genomen
kunnen worden, louter door ons denken te veranderen, enzovoort.
Dan kan het dus gebeuren dat we die passages lezen en al die andere
passages maar vergeten, waarin er sprake is van de verschrikkelijke
angst die dat proces oproept: het onbehagen, de weerstand en
het conflict dat ontstaat wanneer we deze stappen zetten waarin we
onze schuld onderhanden nemen.
Niemand kan het ego loslaten zonder eerst zijn of haar eigen
schuld en angst aan te pakken, want dat is het ego. In het evangelie
zei Jezus: ‘Wie zijn kruis niet opneemt en mij niet volgt, kan mijn
volgeling niet zijn!’ (Matth. 10:38; Mk 8:34; Lk 14:27). Dan spreekt
hij dus hierover. Je kruis opnemen wil zeggen dat je iets doet aan je
eigen schuld en angst en daarmee het ego transcendeert. Je kunt dat
proces met geen mogelijkheid doorlopen zonder moeilijkheden en
pijn. Let op: dat is niet Gods Wil voor ons; het is onze eigen wil. Wij
zijn degenen die schuld in het leven hebben geroepen, dus voordat
we die kunnen loslaten moeten we hem onder ogen zien en dat kan
heel pijnlijk zijn. Er zijn twee plaatsen waar juist dit proces en de
hoeveelheid angst die dat met zich meebrengt beschreven wordt:
de lessen 170 en 196 ( WdI.170; WdI.196.9-12). Ook in ‘De twee werelden’
in de tekst (T18.IX.3) gaat het over de ogenschijnlijk gruwelijke
beklemming waar we doorheen moeten en de verschrikkingen
die gepaard gaan met het verwerken van deze vrees voor God. Dit
is het laatste obstakel voor vrede en daar ligt onze schuld het diepst
begraven.

Dus de tweede stap bestaat in feite uit de bereidheid onze schuld
onder ogen te zien en durven zeggen dat het een uitvinding is van
onszelf, erkennen dat de schuld geen symbool is voor Gods geschenk
aan ons maar voor de beslissing onszelf te zien zoals God ons niet
geschapen heeft. Dat wil zeggen dat we onszelf zien als kind van
schuld en niet als kind van liefde. Een cursus in wonderen benadrukt
heel duidelijk dat wij, omdat we degenen zijn die de schuld gemaakt
hebben, niet degenen zijn die hem ongedaan kunnen maken. Om
dat te kunnen doen hebben we hulp nodig die van buiten het ego
komt. Die hulp is de Heilige Geest. En de enige keuze die we hebben
is de Heilige Geest uit te nodigen het denksysteem van het ego te
corrigeren en de schuld van ons weg te nemen. Dat is de derde stap.
Bij de tweede stap zeggen we in feite tegen de Heilige Geest: ‘Ik wil
mezelf niet langer als schuldig zien; neem dat alstublieft van me weg’.

De derde stap is aan de Heilige Geest en hij neemt de schuld weg,
eenvoudig omdat hij die in feite al weggenomen heeft . Het enige
probleem is dat wij dat moeten aanvaarden.

Samenvattend: de eerste stap maakt de geprojecteerde woede ongedaan
door te zeggen dat het probleem niet buiten me ligt, maar
in me. De tweede stap maakt duidelijk dat het probleem dat in me
zit een probleem van eigen makelij is en dat ik het nu niet meer wil.
De derde stap volgt wanneer ik het heb overgedragen aan de Heilige
Geest en Hij het probleem van me wegneemt.”

Opmaak test6

Deze week begint met palmtakken en eindigt met lelies, het witte en
heilige teken dat Gods Zoon onschuldig is. Laat geen duister teken
van kruisiging tussen de reis en het reisdoel komen, tussen de aanvaarding
van de waarheid en de uitdrukking daarvan. Deze week vieren
we het leven, niet de dood. En we eren de volmaakte zuiverheid
van Gods Zoon, en niet zijn zonden. Bied jouw broeder het geschenk
van lelies aan, niet de doornenkroon; de gave van liefde, niet het ‘geschenk’
van angst. Jij staat naast je broeder, doornen in de ene en lelies
in de andere hand, onzeker wat te geven. Schaar je nu aan mijn
kant en werp de doornen weg, en geef de lelies in hun plaats. Deze
Pasen wil ik graag het geschenk van jouw vergeving ontvangen, door
jou aan mij gegeven en door mij aan jou teruggegeven. We kunnen
niet verenigd zijn in kruisiging en dood. Noch kan de opstanding
compleet zijn tot jouw vergeving op Christus rust, samen met die van
mij. (T20.I.2:1-10)

Ik voel nooit onvrede om de reden die ik denk.
Dat besef is er in middels onomkeerbaar.
De reden dat er een ervaring is van onvrede is dat er een ik lijkt te zijn die de vorm van de droom serieus neemt.
“Ik” zie de droom aan voor de werkelijkheid.
Eerst wordt een “ik” aangezien voor de werkelijkheid en dan volgt logischerwijs, vanuit dat standpunt dat er een “ik” is die alles als werkelijk ervaart.
En dan zit de denkgeest (mind) gevangen in zijn eigen opgezette val van de denkgeest die probeert geen denkgeest te zijn, maar een lichaam.
En dat is zo onnatuurlijk, zo pijnlijk dat het niets anders dan een hele onnatuurlijke en pijnlijke, angstige met schuld beladen droom kan opleveren, die zeer serieus wordt genomen. Schuld, te herkennen aan het voortdurende zeurende gevoel van er klopt iets niet, wat doe ik verkeerd?
Kijk hoe serieus de dagelijkse persoonlijke droom wordt genomen en voor de waarheid wordt aangezien.
Elke vorm van ongenoegen van regelrechte blinde woede, tot een licht irritatie, van totale uitputting tot moeheid, van overmoed tot moedeloosheid enz. heeft maar één oorzaak en ook maar één doel: het serieus nemen van de droom en deze aanzien voor waarheid.

Als dit gezien wordt door de uit deze vreemde onnatuurlijke droomstaat ontwakende denkgeest, wat een onvermijdelijk proces is, want waarheid kan wel ontkend worden maar nooit verdwijnen, kan de onnatuurlijke droom een andere functie krijgen.
Niet door de onnatuurlijke droom te veranderen in een natuurlijke, een droom blijft immers een droom, dus nog steeds onwaar, maar hem op de eerste plaats precies zo te zien zoals hij zich voordoet, maar tegelijkertijd niet serieus te nemen.
Dit vereist een eerlijk kijken naar wat zich lijkt af te spelen in de droom, er niets zelf aan te willen veranderen, maar eerst terug te keren naar de bron, de denkgeest van waaruit de droom wordt geprojecteerd vanuit de wens waarheid te veranderen in onwaarheid.
En dan opnieuw de keuze te maken deze onnatuurlijke droom opnieuw in te zetten om onwaarheid in waarheid te doen laten terugkeren. Oftewel de afscheiding van waarheid mogelijk te doen laten lijken, of te kiezen voor deze onnatuurlijke droom te laten her-gebruiken door de juist-gerichte denkgeest die de vergissing ongedaan kan maken en de herinnering aan waarheid weer doet laten terugkeren in de denkgeest.

Observeren, kijken naar de droom, zonder er zelf (vanuit ego) iets aan te veranderen is dus van essentieel belang bij het proces van her-gebruiken door de juist-gerichte denkgeest (HG). De opzettelijke vergissing van de denkgeest die met opzet wil vergeten dat deze denkgeest is, kan alleen hersteld en teruggedraaid worden als het droommateriaal precies zo gezien wordt als het zich voordoet. Dan kan de vergissing precies zoals deze zich voordoet terug genomen worden in de denkgeest en worden vergeven. Vergeven in de betekenis van dat wordt ingezien dat het een grote vergissing is dat een onnatuurlijke, pijnlijke droom, vol met lijden, beroofd van liefde een prima alternatief zou zijn voor Waarheid, Eenheid, Liefde, God.

Niet de droom hoeft te veranderen, maar de bedenker van de droom, de denkgeest door ervoor te kiezen zijn pijnlijke onnatuurlijke droom terug te nemen en te vergeven, zodat de denkgeest weer gezond wordt en uiteindelijk heel natuurlijk zonder moeite en pijn zal oplossen in Waarheid, Eenheid, Liefde, God.

“Ik voel nooit onvrede om de reden die ik denk” (WdI.5).
Werkboek les 5 (en les 34) is alles wat je nodig hebt, zei Ken Wapnick altijd.
De oefening gaat over het onderzoeken van je denkgeest “(…) op oorzaken van onvrede waar je in gelooft, en vormen van onvrede die, naar je meent, daaruit voortvloeien” (WdI.5.3:1).

Uiteindelijk soms na jaren, dat is voor iedereen (voor iedere schijnbaar afzonderlijke denkgeest) verschillend, zal het duidelijk worden dat eigenlijk elke gedachte+projectie voldoet aan de gedachte dat ik nooit onvrede voel om de reden die ik denk.

Immers stap voor stap al oefenend en ervarend zal worden gezien dat de reden dat ik wat voor vorm van onvrede dan ook die “ik” denk en geloof te ervaren juist de reden dat ik  onvrede WIL ervaren verbergt. Mijn schijnbare aardse ervaringen zijn een dekmantel voor wat “ik” denkgeest WIL ervaren teneinde “mijn” ware Zelf, welke juist onpersoonlijk is en niets met projecties zoals een lichaam in een wereld in tijd en ruimte te maken heeft, te verbergen.

Stap voor stap zal duidelijk worden dat deze les 5 een zeer behulpzame reminder is die naast elke gedachte/ervaring geplaatst kan worden. Elke gedachte begint immers als “speciaal”, als egogedachte dus, met als doel om de afscheiding (welke in werkelijkheid onmogelijk is en nooit heeft plaatsgevonden) toch schijnbaar waar te doen lijken zijn.

Als ik elke vorm van onvrede+bijbehorende projectie serieus neem dan voel ik me, als ik heel eerlijk kijk, standaard dag en nacht onveilig, bedreigd, schuldig, boos, zenuwachtig, ongeduldig, jaloers, bezorgd, ongemakkelijk, razend, haatdragend, wraakzuchtig, liefdevol, prettig, op m’n gemak en nog een paar honderd andere mogelijke selectieve persoonlijk, lichaamsgerichte gevoelens die ik (denkgeest) kan gebruiken om maar in onvrede of in schijnbare vrede te blijven.

“Ik voel nooit onvrede om de reden die ik denk” brengt deze selectieve, lichaams-vormgerichte speciale egogedachten terug naar de bron, de denkgeest, waar ze bedacht en uitgezonden worden om het idee van afscheiding schijnbaar waar te maken. En zo wordt het enige doel van egogedachten, en de reden waarom ik nooit enige vorm van onvrede voel om de reden die ik denk, terug gebracht naar de uitzender, de denkgeest, zodat opnieuw gekozen kan worden. En dan komt les 34 goed van pas: “Ik zou in plaats hiervan vrede kunnen zien” (WdI.34).

De keuze gaat niet over om het geprojecteerde “probleem” wat door ego-ogen gezien wordt als de oorzaak, op te lossen, te veranderen, te verbeteren, te genezen, maar om te leren zien dat dat niet de oorzaak kan zijn van mijn schijnbare onvrede en dat ik een andere keuze kan maken. De keuze tussen afscheiding (keuze voor ego-denken) of voor het ongedaan maken van afscheiding (keuze voor Heilige geest en of Jezus denken).
Dat zijn de twee enige keuzes die gemaakt kunnen worden om de vergissing (de (onmogelijke) keuze voor afscheiding) te herstellen en terug te herinneren in wat verborgen moest blijven: Waarheid, Zelf, Eenheid, Liefde, God of hoe je non-dualisme, wat eigenlijk niet te omschrijven valt, maar noemen wil.

Elke andere keuze, die nog steeds vorm-gericht is en de projecties als oorzaak van onvrede ziet, is een vergissing. Een vergissing die alleen zinnig kan worden her-gebruikt door ze te vergeven.
In les 62 leer ik dan ook dat Vergeving mijn enige functie is.
Mijn functie, zolang er nog “ervaring” lijkt te zijn, is niet de wereld te verbeteren, maar om elke gedachte+projectie welke wereld en tijd en ruimte gericht is te vergeven.
En in combinatie met les 5 en 34 kan ik leren elke gedachte+projectie als vergevingsmateriaal en kans te gaan zien.

(Dit blog is niet bedoelt als vervanging voor wat ECIW zelf over bovengenoemde lessen zegt, dus lees vooral ook de lessen zelf in het blauwe boek.)

Uit: “Inleiding tot Een cursus in wonderen” – Kenneth Wapnick:

“Vergeving kan dus in drie fundamentele stappen worden samengevat.
De eerste stap is dat ik onderken dat het probleem niet
buiten me is, op dat scherm. Het probleem zit vanbinnen, in mijn
film. In de eerste stap geef ik te kennen dat mijn woede niet gerechtvaardigd
is, hoewel mijn woede me altijd voorhoudt dat het
probleem buiten me ligt, bij jou, en dat jij moet veranderen zodat
ik niet hoef te veranderen. Kortom: de eerste stap betekent dat het
probleem niet buiten me ligt, maar daarentegen in mij zit. Deze stap
is zo wezenlijk om dat God het Antwoord op het probleem van de
afscheiding in ons binnenste heeft neergelegd: de Heilige Geest is
niet buiten ons, de Heilige Geest is in ons, in onze denkgeest. Door
vol te houden dat het probleem buiten ons ligt – en dat gebeurt bij
projectie altijd – houden we het probleem weg van het antwoord.
En dat is precies wat het ego wil, want wanneer het probleem wordt
beantwoord door de Heilige Geest, houdt het ego op te bestaan.
Dus het ego is heel doortrapt en subtiel als het erom gaat ons te
doen geloven dat het probleem buiten ons ligt, of dat nu in een ander
mens is – ouders, leraren, vrienden, partners, kinderen, de ministerpresident
– of in de aandelenmarkt, het weer of in God Zelf. We zijn
er allemaal uitermate bedreven in het probleem te zien waar het niet
is, zodat de oplossing gescheiden kan blijven van het probleem. In
het Werkboek staan twee lessen die dat heel duidelijk maken, namelijk
les 79 en les 80: ‘Laat me het probleem zien, zodat het kan
worden opgelost’ en ‘Laat me zien dat mijn problemen zijn opgelost.’
Er is maar één probleem en dat is het geloof in de afscheiding zelf,
oftewel het probleem van schuld, en dat zit altijd vanbinnen, niet
buiten je. De eerste stap van vergeving is dus, zoals gezegd, dat ik
erken dat het probleem niet in jou zit; het probleem zit in mij. De
schuld ligt niet in jou, de schuld ligt in mijzelf. Het probleem zit niet
op het scherm waarop ik het projecteerde, het zit in de film in mijn
binnenste en dat is een film van schuld.

Dan komt de tweede stap, en dat is de moeilijkste. Het is een stap
die we koste wat het kost willen zien te vermijden. We moeten nu
iets doen aan die film, dat wil zeggen: we moeten iets doen aan onze
eigen schuld. Ik wil benadrukken dat juist dat de reden is dat we tot
het uiterste gaan om die woede en aanval te rechtvaardigen en in
stand te houden; juist dat is de reden dat we de wereld willen blijven
zien als opgesplitst in goed en slecht. Zolang we dat doen kunnen
we die tweede stap vermijden, want bij de tweede stap zien we onze
eigen schuld en al onze gevoelens van zelfhaat onder ogen.
Bij de eerste stap erken ik dat mijn woede niets anders is dan de
beslissing mijn schuld te projecteren. Maar bij de tweede stap erken
ik dat de schuld zelf óók een beslissing vertegenwoordigt. De
schuld symboliseert de beslissing mijzelf als schuldig in plaats van
als schuldeloos te zien. In plaats daarvan moet ik onderkennen dat
ik een Zoon van God ben in plaats van een zoon van een ego; dat
mijn ware Thuis niet in deze wereld is maar dat mijn ware Thuis
eerder in God is. Dat kunnen we pas als we onze schuld onder ogen
zien en de uitspraak doen dat dit niet is wat we werkelijk zijn. En die
uitspraak kunnen we niet doen zolang we niet eerst iemand anders
aanzien en zeggen: ‘Jij bent niet wat ik van jou gemaakt heb. Je bent
in wezen wat God geschapen heeft .’
Er staan een paar heel indringende passages in de Cursus die beschrijven
hoe vreselijk beangstigend deze tweede stap is. Het komt
vaak voor dat mensen, vooral de eerste keren dat ze Een cursus in wonderen
inkijken, het verkeerde idee hebben dat het allemaal mooi
en makkelijk is. De Cursus kan je op het verkeerde been zetten als
je niet oplet. Op het ene niveau wordt er gezegd hoe eenvoudig het
is, hoe we in feite allemaal ‘thuis zijn in God, en dromen van ballingschap’
(T10.I.2:1) en hoe al die stappen in een ogenblik genomen
kunnen worden, louter door ons denken te veranderen, enzovoort.
Dan kan het dus gebeuren dat we die passages lezen en al die andere
passages maar vergeten, waarin er sprake is van de verschrikkelijke
angst die dat proces oproept: het onbehagen, de weerstand en
het conflict dat ontstaat wanneer we deze stappen zetten waarin we
onze schuld onderhanden nemen.
Niemand kan het ego loslaten zonder eerst zijn of haar eigen
schuld en angst aan te pakken, want dat is het ego. In het evangelie
zei Jezus: ‘Wie zijn kruis niet opneemt en mij niet volgt, kan mijn
volgeling niet zijn!’ (Matth. 10:38; Mk 8:34; Lk 14:27). Dan spreekt
hij dus hierover. Je kruis opnemen wil zeggen dat je iets doet aan je
eigen schuld en angst en daarmee het ego transcendeert. Je kunt dat
proces met geen mogelijkheid doorlopen zonder moeilijkheden en
pijn. Let op: dat is niet Gods Wil voor ons; het is onze eigen wil. Wij
zijn degenen die schuld in het leven hebben geroepen, dus voordat
we die kunnen loslaten moeten we hem onder ogen zien en dat kan
heel pijnlijk zijn. Er zijn twee plaatsen waar juist dit proces en de
hoeveelheid angst die dat met zich meebrengt beschreven wordt:
de lessen 170 en 196 ( WdI.170; WdI.196.9-12). Ook in ‘De twee werelden’
in de tekst (T18.IX.3) gaat het over de ogenschijnlijk gruwelijke
beklemming waar we doorheen moeten en de verschrikkingen
die gepaard gaan met het verwerken van deze vrees voor God. Dit
is het laatste obstakel voor vrede en daar ligt onze schuld het diepst
begraven.

Dus de tweede stap bestaat in feite uit de bereidheid onze schuld
onder ogen te zien en durven zeggen dat het een uitvinding is van
onszelf, erkennen dat de schuld geen symbool is voor Gods geschenk
aan ons maar voor de beslissing onszelf te zien zoals God ons niet
geschapen heeft. Dat wil zeggen dat we onszelf zien als kind van
schuld en niet als kind van liefde. Een cursus in wonderen benadrukt
heel duidelijk dat wij, omdat we degenen zijn die de schuld gemaakt
hebben, niet degenen zijn die hem ongedaan kunnen maken. Om
dat te kunnen doen hebben we hulp nodig die van buiten het ego
komt. Die hulp is de Heilige Geest. En de enige keuze die we hebben
is de Heilige Geest uit te nodigen het denksysteem van het ego te
corrigeren en de schuld van ons weg te nemen. Dat is de derde stap.
Bij de tweede stap zeggen we in feite tegen de Heilige Geest: ‘Ik wil
mezelf niet langer als schuldig zien; neem dat alstublieft van me weg’.

De derde stap is aan de Heilige Geest en hij neemt de schuld weg,
eenvoudig omdat hij die in feite al weggenomen heeft . Het enige
probleem is dat wij dat moeten aanvaarden.

Samenvattend: de eerste stap maakt de geprojecteerde woede ongedaan
door te zeggen dat het probleem niet buiten me ligt, maar
in me. De tweede stap maakt duidelijk dat het probleem dat in me
zit een probleem van eigen makelij is en dat ik het nu niet meer wil.
De derde stap volgt wanneer ik het heb overgedragen aan de Heilige
Geest en Hij het probleem van me wegneemt.”

Opmaak test6

%d bloggers liken dit: