archiveren

Tagarchief: een nietig dwaas idee

Het enige zinnige besluit wat genomen kan worden binnen een onmogelijke nietig dwaas idee van een onmogelijke droom van afscheiding is het willen leren herkennen van de keuze voor egodenken en daarmee te stoppen, terug te gaan naar de enige bron, de denkgeest, en dan opnieuw te kiezen. Niet voor een betere droomvorm/projectie deze keer, maar voor de andere bron in de denkgeest die van de juist gerichte denkgeest, in ECIW symbolisch weergegeven als Jezus/Heilige Geest. En dat is het enige wat gedaan hoeft te worden, en er dan op leren vertrouwen dat de effecten hiervan (nog steeds in de droom, dus droom effecten/projecties) automatisch zullen volgen:

“Je gelooft misschien dat je verantwoordelijk bent voor wat je doet, maar niet voor wat je denkt. De waarheid is dat je verantwoordelijk bent voor wat je denkt, omdat je alleen op dat niveau keuzen kunt maken. Wat je doet komt voort uit wat je denkt. Je kunt jezelf niet onttrekken aan de waarheid door autonomie te ‘verlenen’ aan gedrag. Dat komt automatisch onder mijn beheer zodra je wat je denkt onder mijn leiding plaatst. Iedere keer dat je bang bent is dat een duidelijk teken dat jij je denkgeest hebt veroorloofd te miscreëren en mij niet hebt toegestaan die te leiden.

3.Het is zinloos te geloven dat genezing kan ontstaan door de gevolgen van verkeerd denken onder controle te houden. Wanneer je bang bent, heb je verkeerd gekozen. Dat is de reden waarom jij je er verantwoordelijk voor voelt. Je moet je denken veranderen, niet je gedrag, en dat is een kwestie van bereidwilligheid. Je hebt geen leiding nodig, behalve op het niveau van je denkgeest. Correctie hoort alleen thuis op het niveau waar verandering mogelijk is. Verandering heeft geen enkele betekenis op het niveau van de symptomen, waar ze niet werkzaam kan zijn

4.Het corrigeren van angst is jouw verantwoordelijkheid. Wanneer jij vraagt om bevrijding van angst, suggereer je dat dit niet zo is. Je zou in plaats daarvan hulp moeten vragen in de omstandigheden die de angst hebben teweeggebracht. Deze omstandigheden hebben altijd te maken met de wens afgescheiden te zijn. Op dat niveau kun jij er iets aan doen. Je bent veel te tolerant tegenover het afdwalen van je denkgeest en je vergoelijkt stilzwijgend de miscreaties ervan. Het specifieke resultaat [in de vorm, de projectie] doet er niet toe, maar de fundamentele vergissing [de keuze voor afscheiding] wél. De correctie is steeds dezelfde. Vraag mij, voor je iets besluit te doen, of jouw keuze in overeenstemming is met die van mij. Als je zeker weet dat dit zo is, zal er geen angst zijn” (T2.VI.2:5-10,3:1-7,4:1-10).

Een ietwat ongebruikelijke en daardoor onconventionele gedachte vanuit dat wat “we” gewend zijn te denken, en geloven te weten en te kennen:
De wereld met alles wat daarbij hoort, mensen, dieren, voorwerpen, situatie, kortom alles wat wij beschouwen als “leven”, is een illusie, een gigantische projectie. Dat hele schijnbare gebeuren kan alleen maar schijnbaar verschijnen OMDAT het een illusie is.
Er is geen enkele reden te bedenken waarom in DAT WAT IS, non-dualiteit, Eenheid “iets” zou moeten verschijnen, “iets” anders waardoor “één” ineens “twee” lijkt te zijn.
Eén is één en heeft geen enkele goede reden om twee te worden, te blijven, te zijn.
Het heeft ook geen enkele zin het hiermee eens of oneens te zijn, te analyseren, er tegen te verzetten, te verwelkomen of wat voor gedachte dan ook aan te besteden, omdat al die gedachten in de illusie verschijnen en dus onmogelijk zijn in Eén. Een illusie, een droom, een waanidee heeft als eigenschap dat het onwerkelijk is en vooral veranderlijk en kan juist DAARDOOR alleen maar een illusie, een droom, een waanidee zijn.
Het lijkt allemaal te verschijnen in “Één”, maar dat is tegelijkertijd onmogelijk, omdat “Één” nooit “twee” kan worden dan alleen in onmogelijke dromen.

Moet “ik” nu, omdat ik kennelijk in deze droom geloof enorm hard gaan werken, of iets opofferen om weer van “twee” “Één” te maken?
Nee, want dat zou betekenen dat “iets” binnen een onmogelijk en niet werkelijk bestaande “tweeheid” iets moet doen om weer “één” te worden, wat zou betekenen dat het lijkt of één van de twee moet verdwijnen.
En waarom zou iets wat al onmogelijk is moeten verdwijnen? Bovendien kan “Eén” in ieder geval onmogelijk verdwijnen omdat het sowieso buiten het concept “twee” valt en daardoor niet valt te beschrijven of te benoemen, laat staan zou kunnen verdwijnen, want dan zou het onmiddellijk binnen het concept “twee” vallen, en dus een illusie zijn welke als eigenschap heeft “veranderlijk” te zijn, een droom, wat weer aangeeft dat het niet werkelijk kan “bestaan”.

De weerstand die deze gedachte oproept is ook niet wat het lijkt. Boosheid, ongeloof, weerstand, irritatie, moordlust, of juist het ophemelen of neersabelen van iets of iemand die deze gedachte uitspreekt, publiceert of hoe dan ook kenbaar maakt gaat helemaal niet over de weerstand tegen het idee van “er is geen wereld”, of over er is alleen een illusie, een droom, een onmogelijke gedachte welke schijnbaar verschijnt in “Één”. De weerstand heeft enkel als doel de gedachte van “twee” koste wat kost in stand te houden, ja zelfs ten koste van “Éen”, wat dus sowieso verspilde moeite is, want onmogelijk.

Dat wat we “mijn leven” noemen is een gevecht van leven op dood om in “twee” te blijven geloven, want dat is het niet meer en niet minder, een geloof. Niet een strijd tegen een “iets” dat machtiger probeert te zijn dan “twee”, zoals “twee” doet voorkomen.
De enorme angst en schuld die deze waan gedachte oproept is ook alleen maar weer een krampachtige, zeer vermoeiende poging om deze onmogelijke scheiding van “Één” in stand te houden. En heeft dus niet met “iets” of “iemand” die tegengesproken of bejubelt wil of moet worden te maken.
Het hele droom script van het idee en het geloof in “mijn leven” (of überhaupt “leven”) heeft geen enkel ander doel dan dit: het onmogelijke idee van zich te willen kunnen afscheiden van “Één” tot werkelijkheid te maken.

Totdat de veranderlijke aard van “een nietig dwaas idee” van “twee” onvermijdelijk doorzien wordt doordat wordt ingezien dat “twee” nu eenmaal nooit voorgoed de plaats kan innemen van “Één”, OMDAT dat onmogelijk is.
Zodra dat wordt gezien en geaccepteerd wordt ook de onvermijdelijkheid van terug herinneren in “Één” onvermijdelijk en krijgt alle weerstand die zich alleen in dromen, illusies, waanbeelden van schijnbaar “twee” een totaal andere functie…

De droom hoeft niet weg gesaneerd of vernietigt te worden of zelfs maar verandert, maar krijgt een totaal andere functie, als de denkgeest daar aan toe is, die van “Ware vergeving”, wat niets anders is dan werkelijk inzien dat er niets gebeurt kan zijn, dat niets ook maar één momentje werkelijk invloed zou kunnen hebben, laat staan in staat om non-dualistische “Éénheid” te veranderen en zal uiteindelijk onvermijdelijk op een heel vanzelfsprekende wijze oplossen in “niets”, vanwaaruit het schijnbaar is ontstaan.

Een cursus in wonderen vat dit als volgt samen:

“Niets werkelijks kan bedreigd worden.
Niets onwerkelijks bestaat.

Hierin ligt de vrede van God.”
(In.2.2-4)

“In de eeuwigheid, waar alles één is, sloop een nietig dwaas idee binnen waarom de Zoon van God vergat te lachen. Door dit te vergeten werd de gedachte een serieus idee, in staat tot zowel verwezenlijking als werkelijke gevolgen.” (T27.VIII.6:2-3)

En dat ene “nietig dwaas idee”, dwaas omdat het onmogelijk is, maar toch geloofd wordt, en serieus genomen, explodeert elke keer als het weer serieus en als waar wordt gezien, in alle scripts die maar mogelijk zijn, schijnbaar mogelijk gemaakt door de wens afgescheiden denken te kunnen en willen zijn van Eénheid, Waarheid, Liefde, God.

Dus ook al lijkt het zo te zijn dat alles in tijd en ruimte plaatsvindt, DAT IS NIET ZO.
Alles gebeurt tegelijkertijd en is al gebeurt als dat ene “nietig dwaas idee”, en dat ene “nietig dwaas idee” herhaald zich eindeloos ieder keer dat dat ene “nietig dwaas idee” serieus genomen wordt. Dat ene “nietig dwaas idee” explodeert, door het serieus te nemen in miljarden variaties op dat ene “nietig dwaas idee”. Het (persoonlijke) script lijkt daardoor een keuze te zijn, maar de enige keuze die telkens weer gemaakt wordt is de keuze voor dat ene “nietig dwaas idee” in en door de denkgeest.

Het maakt daarom niet uit of een schijnbare ik in mijn schijnbaar persoonlijke script nu voor rechts, links, onder of boven of voor welke schijnbare keuze dan ook kiest, het is en blijft de keuze voor het ene “nietig dwaas idee”, hoe het er ogenschijnlijk ook uit mag zien.

De onmogelijke keuze voor het ene “nietig dwaas idee” is juist door zijn onmogelijkheid herkenbaar aan de pijn die het doet. Het lijkt alsof de pijn, het lijden, maar ook tijdelijke vreugde, komt door wat zich in het persoonlijke script lijkt af te spelen. DAT IS NIET ZO.
(Les 5 Ik voel nooit onvrede om de reden die ik denk).
De enige tevens onmogelijke oorzaak van pijn, lijden, kortstondige vreugde, en nog honderden andere tijdelijke voorbijgaande emoties en gevoelens van klein tot ondraaglijk, is dat het onmogelijk is afgescheiden te raken van Waarheid, maar het toch serieus wordt genomen en geprobeerd, steeds maar weer en daarom ervaren als pijnlijk:

“4Een geketende wil laat een situatie ontstaan die in het uiterste
geval volslagen onverdraaglijk wordt. 5Je mag dan veel pijn kunnen verdragen,
maar daaraan is een grens. 6Uiteindelijk begint iedereen in te zien,
hoe vaag ook, dat er een betere manier moet zijn. 7Wanneer dit inzicht vastere
grond krijgt, wordt het een keerpunt. 8Dit laat geestelijke visie uiteindelijk
opnieuw ontwaken en tegelijk de investering in de fysieke blik afnemen.
9Het afwisselend investeren in de twee waarnemingsniveaus
wordt doorgaans als een conflict ervaren, een dat zeer acuut kan worden.
10Maar de uitkomst is zo zeker als God” (T2.III.3:4-10).

En tegelijkertijd door de onmogelijkheid van dit ene “nietig dwaas idee”, staat de uitkomst vast:

“Het is slechts een kwestie van tijd tot iedereen de Verzoening heeft aanvaard.
2Door de onvermijdelijkheid van de uiteindelijke beslissing kan dit
in tegenspraak lijken met de vrije wil, maar dat is niet het geval. 3Je kunt
tijd rekken en je bent tot immens uitstel in staat, maar je kunt niet totaal
afdwalen van je Schepper, die een grens stelt aan je vermogen tot miscreëren” T2.III.3:1-3).

Gelijk willen hebben, versus Gelijk Zijn.

Het gevoel, de gedachte, het idee van het altijd beter te weten dan iemand anders, en dan hemel en aarde te bewegen om dat gelijk te bewijzen, het liefst nog onder het mom van behulpzaam zijn, is terug te voeren tot het mechanisme van de egodenkgeest om dát te projecteren waar het juist bang voor is en het dan om te keren ten gunste van zichzelf.

Er is een Weten wat onveranderlijk is en dat is God IS, Onveranderlijke Eenheid. Binnen dat Weten is geen ‘beter’ of ‘slechter’, ‘gelijk’, of ‘ongelijk’, mogelijk.
Hoewel het onmogelijk is om van Eén iets anders te maken dan Onveranderlijke Eenheid is het toch mogelijk gebleken dat in het proces van uitbreiden van Onveranderlijke Eenheid, Liefde, het idee is opgekomen dat de uitbreiding iets anders kan worden dan de Bron van de uitbreiding.
De uitbreiding van het onveranderlijke zag ineens een afscheidingsmogelijkheid tussen de bron en de uitbreiding daarvan. Dat de uitbreiding niet meer hetzelfde is dan de Bron, en kan veranderen. De uitbreiding gezien als méér dan zijn Bron, dus ánders dan de Bron:

“In de eeuwigheid,
waar alles één is, sloop een nietig dwaas idee binnen waarom de Zoon van God vergat te lachen. Door dit te vergeten werd de gedachte een serieus idee, in staat tot zowel verwezenlijking als werkelijke gevolgen” (T27.VIII.6:2-3).

Dat ‘méér’ moest dus dan nu wel het tegenovergestelde uitbreiden dan zijn Bron, want er moest méér zijn, meer, nu in de zin van ‘ánders’. En méér kan alleen méér zijn als het anders is dan zijn Bron, want anders is het gewoon weer méér van hetzelfde en dat is niet echt méér.
Méér werd dus ánders. Er ontstond een situatie van iets anders weten dan wat de Bron Weet. Ondertussen is het nog steeds onmogelijk in werkelijkheid om van Werkelijkheid iets anders te maken dan Werkelijkheid.
En toch leek het mogelijk, ‘ánders’ werd de nieuwe werkelijkheid en ontkende daarmee de Werkelijkheid. De werkelijkheid werd ‘vergeten’, maar verdween niet.
Het ‘ánders’ ging nu voor Werkelijkheid door en om dit te bezegelen maakte de nieuwe werkelijkheid zichzelf wijs: ‘Ik heb gelijk’. En dat ‘nieuwe weten’ moet verdedigd worden, tegen de Werkelijke Werkelijkheid, die nu ondergronds ging maar, nog steeds in het ondergrondse onbewuste aanwezig is. En die verdediging is: ‘ik heb gelijk’. Ik heb gelijk, ik weet het beter, is de mantra van het nieuwe weten en om dit nog meer te versterken wordt het uit geprojecteerd in duizenden vormen en bevinden we ons in een wereld met miljarden geprojecteerde lichamen die allemaal dat idee van ‘ik heb gelijk’, en ‘ik weet het beter’ als wapen gebruiken tegen elkaar. En lijken al die lichamen hun gelijk te willen halen over iets wat zich in de vorm lijkt te bevinden, maar ondertussen is het niets anders dan een afleiding en omkering van wat zich in de denkgeest afspeelt, namelijk dat het onmogelijke mogelijk is, namelijk dat uitbreiding van Eén, twee kan worden, ondanks het onveranderlijke FEIT dat Eén Onveranderlijk Eén is en blijft.

Het onmogelijke gelijk moet nu met hand en tand verdedigd worden, enkel en alleen, omdat als de verdediging losgelaten wordt het Ware Gelijk, dus de gelijkheid van Eén, gewoon weer tevoorschijn komt en blijkt dat er in werkelijkheid niets verdedigd hoeft te worden. Wat betekent dat het onmogelijke gelijk, uit geprojecteerd als de ‘ik’ als lichaam, simpelweg verdwijnt omdat het er nooit is geweest.
Dus gelijk willen hebben is niet gelijk willen hebben om de reden die ik denk. Het is niet het gelijk willen hebben over een bepaalde vorm of situatie, het is het gelijk willen hebben om het gelijk hebben, zodat dat wat werkelijk Gelijk heeft en IS verborgen blijft en er een ‘ik’ lichaam lijkt te zijn dat autonoom is en wel gelijk moet hebben, want anders verdwijnt het *poef* in het Werkelijke Gelijk, waar alleen Eén mogelijk is.

Dat zit er dus achter als we weer eens zeker weten dat we gelijk hebben en de ander het fout heeft.
De remedie?
Het onwerkelijke gelijk vergeven, zodat het door de nog steeds aanwezige herinnering aan het enige Gelijk, wat Gelijk aan Eén is, omgekeerd kan worden, terug-gekeerd dus in Gelijk, in Onveranderlijke Eénheid.

Op zich is er voor “verlossing” (verlossing van het nietig dwaas idee dat afscheiding van Eén mogelijk is), maar één gedachte nodig…

Maar ja zo werkt het niet in de praktijk waarin we denken en echt geloven te zijn.
Miljarden gedachten worden elke seconde gedacht, met maar één doel het nietig dwaas idee dat afscheiding mogelijk is werkelijk te doen laten lijken.
En ook al hebben al die miljarden gedachten maar één doel; een nietig dwaas idee dat afscheiding mogelijk is in stand te houden, ogenschijnlijk hebben al die miljarden (afscheidingsgedachten) allemaal verschillende en wisselende doelen.
De ene denkgeest die dit denkt, en wil denken, om redenen van afscheiding, bevindt zich nu in een totale chaotische compleet gestoorde wirwar van gedachten en probeert dat enigszins te sturen en onder controle te houden door al die verschillende doelen aan de verschillende stukjes afgescheiden denkgeest (wat er uit ziet als personen, dingen en situaties) toe te bedelen.
Wat we denken en geloven te zien en ervaren zijn dus projecties van de ene denkgeest die voor afscheiding kiest en dat ziet eruit en wordt ervaren als een persoonlijke “ik” ervaring, ten midden, van miljarden andere “ik” ervaringen.

In die zin is het idee van er is maar één gedachte nodig voor verlossing te volgen.
(zie ook: H.12. Hoeveel leraren van God zijn er nodig om de wereld te redden? En bedenk dat ECIW ons altijd aanspreekt als denkgeest, dat wat we zijn, en niet als mensen van vlees en bloed, wat we onmogelijk kunnen zijn dan alleen in een krankzinnige afscheidings fantasie van zonde, schuld en angst).

Echter de volstrekt schizofrene, krankzinnige in totale verwarring zijnde denkgeest (wij dus) zal dit niet zomaar kunnen aanvaarden en accepteren.
En mocht je je nu beledigd voelen of wat voor weerstand voelen dan ook, (wees daar eerlijk in, want die weerstand is er, in wat voor vorm dan ook) dan is dat niet om de reden die ik denk (les 5).
De gestoorde, zieke denkgeest zal zijn zieke denkgeest verdedigen, van geboorte tot dood, omdat het hem in de afscheiding houdt. Er is geen andere reden dan die onmogelijke, krankzinnige wens.

En ook al doorzie ik intellectueel de totale krankzinnigheid van die onmogelijke wens (onmogelijk omdat afscheiding van Eén, Waar echt onmogelijk is) dan nog is een stap voor stap proces nodig om de denkgeest totaal te doen laten genezen.
En dat is de enige verantwoordelijkheid die ik als denkgeest heb.
Mijn verantwoordelijkheid is niet de wereld te verbeteren, mijn verantwoordelijkheid is de denkgeest te laten genezen van één onmogelijk krankzinnig idee dat slechts in stand wordt gehouden door het geloof erin.
In dat stap voor stap proces van vergeving (zie WdII.1. Wat is vergeving? (blz.404)), wordt elke gedachte gedachte, (mijn hele zelf bedachte, gekozen en geprojecteerde script) opnieuw gebruikt, nu niet meer als middel tot afscheiding, maar als middel voor vergeving. Vergeving van wat onmogelijk werkelijk gebeurt kan zijn, namelijk afgescheiden raken van Eén, van wat Waar is.

Vandaar dat in principe enkel en alleen les 5 en les 34 zouden kunnen voldoen.
Ik zal beide lessen hieronder plakken voor het gemak:

“LES 5
Ik voel nooit onvrede om de reden die ik denk.

1. Dit idee kan, evenals het voorgaande, gebruikt worden bij elke persoon,
situatie of gebeurtenis waarvan jij denkt dat die jou pijn bezorgt. 2Pas het
uitdrukkelijk toe op alles waarvan jij gelooft dat het de oorzaak van je onvrede
is, en gebruik daarbij de omschrijving van het gevoel in een bewoording
die je juist lijkt. 3De onvrede kan zich voordoen als angst, bezorgdheid,
depressiviteit, verontrusting, kwaadheid, haat, jaloezie en nog
talloze andere vormen, die je allemaal als verschillend zult waarnemen.
4Dit is niet waar. 5Maar tot je geleerd hebt dat de vorm er niet toe doet, is
elke vorm geschikt als onderwerp van de oefeningen van de dag.
6Hetzelfde idee op elke vorm afzonderlijk toepassen is de eerste stap naar
de uiteindelijke erkenning dat ze allemaal hetzelfde zijn.

2. Wanneer je het idee van vandaag gebruikt bij een specifieke vermeende
oorzaak van enigerlei vorm van onvrede, hanteer dan zowel de naam van
de vorm waarin je die onvrede ziet, als de oorzaak die je daaraan toeschrijft.
2Bijvoorbeeld:

3Ik voel me niet kwaad op _________ om de reden die ik denk.
4Ik voel me niet bang voor _________ om de reden die ik denk.

3. Maar nogmaals, dit moet niet in de plaats komen van oefenperioden
waarin je eerst je denkgeest onderzoekt op ‘oorzaken’ van onvrede waarin
je gelooft, en vormen van onvrede die, naar jij meent, daaruit voortvloeien.

4. Je zult het bij deze oefeningen, meer nog dan bij de vorige, misschien
moeilijk vinden om willekeurig te zijn en te vermijden dat je sommige onderwerpen
zwaarder laat wegen dan andere. 2Het kan helpen de oefeningen
te laten voorafgaan door de volgende stelling:

3Er zijn geen kleine vormen van onvrede.
4Ze verstoren mijn innerlijke vrede allemaal evenzeer.

5. Onderzoek dan je denkgeest op alles wat jou verstoort, ongeacht de mate
waarin jij denkt dat het dit doet.

6. Misschien merk je ook dat je minder bereid bent het idee van vandaag
toe te passen op sommige vermeende bronnen van onvrede dan op andere.
2Als dit gebeurt, denk dan eerst hieraan:

3Ik kan niet aan deze vorm van onvrede vasthouden en alle andere loslaten.
4Voor het doel van deze oefeningen beschouw ik ze daarom allemaal
als gelijk.

7. Onderzoek dan, niet langer dan ongeveer een minuut, je denkgeest en
probeer een aantal verschillende vormen te achterhalen van dingen die
jouw vrede verstoren, ongeacht het relatieve belang dat jij misschien aan
ze hecht. 2Pas het idee van vandaag op elk ervan toe, waarbij je zowel de
naam noemt van de bron van de onvrede, zoals jij die ziet, als van het gevoel,
zoals jij dat ervaart. 3Andere voorbeelden zijn:

4Ik voel me niet bezorgd over _________ om de reden die ik denk.
5Ik voel me niet neerslachtig over _________ om de reden die ik denk.

6Drie of vier keer in de loop van de dag is genoeg” (WdI.5.1-7).

“LES 34
Ik zou in plaats hiervan vrede kunnen zien.

1. Het idee voor vandaag maakt een begin met de beschrijving van de voorwaarden
die gelden voor de andere manier van zien. 2Innerlijke vrede is
ontegenzeglijk een innerlijke zaak. 3Het moet beginnen bij je eigen gedachten
en zich dan naar buiten toe uitbreiden. 4Juist uit jouw vredige
denkgeest vloeit een vredige waarneming van de wereld voort.

2. Voor de oefeningen van vandaag zijn drie langere oefenperioden nodig.
2Aangeraden wordt er een ‘s ochtends en een ‘s avonds te doen, met nog
een derde ergens daartussenin op een tijdstip waarop je je er het meest
klaar voor voelt. 3Alle oefeningen moeten met gesloten ogen worden gedaan.
4Het is je innerlijke wereld waarop het idee van vandaag moet worden
toegepast.

3. Voor elk van de lange oefenperioden is ongeveer vijf minuten van gedachtenonderzoek
nodig. 2Onderzoek je denkgeest op angstgedachten, situaties
die je verontrusten, ‘ergerlijke’ personen of gebeurtenissen, of iets
anders waarover je weinig liefdevolle gedachten koestert. 3Merk ze allemaal
terloops op, en herhaal het idee voor vandaag langzaam terwijl je
gadeslaat hoe ze in je denkgeest opdoemen, laat ze dan een voor een los,
en ga door met de volgende.

4. Als het je moeite gaat kosten om aan specifieke onderwerpen te denken,
blijf het idee dan rustig voor jezelf herhalen, zonder het op iets in het bijzonder
toe te passen. 2Zorg er echter wel voor dat je niets speciaal uitsluit.

5. De korte toepassingen dienen talrijk te zijn en moeten telkens worden
uitgevoerd wanneer je voelt dat je innerlijke vrede op enigerlei wijze
wordt bedreigd. 2De bedoeling is jezelf de hele dag tegen verleidingen te
beschermen. 3Als een concrete vorm van verleiding in je bewustzijn omhoogkomt,
moet de oefening deze vorm krijgen:

4Ik zou in deze situatie vrede kunnen zien in plaats van wat ik er nu in zie.

6. Als de aantasting van je innerlijke vrede meer een algemene vorm van
nare emoties aanneemt zoals gedeprimeerdheid, onrust of tobberij, hanteer
dan het idee in zijn oorspronkelijke vorm. 2Als je voelt dat jij meer dan
één toepassing van het idee van vandaag nodig hebt om je te helpen in
enige specifieke context tot andere gedachten te komen, probeer er dan
een paar minuten voor uit te trekken en die te besteden aan het herhalen
van het idee, tot je enig gevoel van verlichting bespeurt. 3Het zal jou
helpen als je concreet tegen jezelf zegt:

4Ik kan mijn gevoelens van gedeprimeerdheid, onrust of tobberij [of mijn
gedachten over deze situatie, persoon of gebeurtenis] vervangen door
vrede” (wdI.34.1-6).

En bedenk lessen zijn er om geoefend te worden, alleen begrijpen is niet genoeg.
En het oefenmateriaal is altijd voorhanden, want dat zijn simpelweg alle gedachten die ik heb elke seconden van wat ik geloof en denk dat “mijn” leven is.
Een eraan toe zijnde denkgeest zal bereid zijn te oefenen, omdat “hij” niet anders meer kan.

En wat resultaatgerichtheid betreft, wat denk je dat het resultaat is van een genezen denkgeest, zou deze nog voor het voort laten duren van afscheiding kiezen door nog steeds te blijven geloven in zijn eigen projecties van zonde, schuld en angst?

 

 

 

Van die dialogen die ontstaan in de denkgeest tijdens het wandelen…
… “een nietig dwaas idee” (ENDI) en het geloof erin, een geloof nog eens extra bevestigd door de projectie, en dit serieus nemen lijkt het een schijn van werkelijkheid te geven.
Maar het blijft een geloof in een dwaas onmogelijk idee.
Geloven zit nu vast in zichzelf en kan alleen nog geloof uitbreiden.
Kan het geloven ook besluiten te stoppen met geloven?
Zolang het geloof niet weet (vergeet) dat er alleen geloof is dat alles doet lijken te verschijnen, kan er identificatie met de projectie ontstaan. De bron (geloven) wordt vergeten en ontkend, daardoor is het niet meer mogelijk de bron (geloven) te herkennen en te erkennen achter de projecties. Er vindt nu totale identificatie plaats met de projectie, en als resultaat daarvan lijkt er nu een lichaam te zijn met een persoonlijkheid, welke nu als de bron wordt gezien. Maar het is nog steeds enkel en alleen een geloof dat op z’n plaats gehouden wordt door geloof.
Zolang er in lichaamsidentificatie wordt geloofd en niet wordt geloofd dat dat ook slechts een geloof is, kan het geloven niet besluiten te stoppen met geloven.
Het geloof in de werkelijkheid van een lichaam en een persoonlijkheid, houdt het geloof op z’n plek, zodat verborgen blijft dat er alleen een geloof aan ten grondslag ligt, en niet meer of minder dan dat.

Aangezien het geloof in lichamen, dingen en situaties waarvan geloofd wordt dat ze de oorzaak zijn van alles waarin geloofd wordt uiteindelijk niet vol te houden is, van wegen de onmogelijkheid ervan, verdwijnt het ook meteen weer op het moment dat het geloofd wordt. Dus moet dat ene nietige dwaze idee (geloof) steeds herhaald worden, een beetje zoals filmbeeldjes steeds achter elkaar herhaald moeten worden om beweging geloofwaardig te maken, zodat geloofd kan worden dat er echt iets is. En net als bij een film, is er niets gebeurt of verandert als de film is afgelopen er was alleen een geloven in… het was en is een illusie.

Dus wat geloven ook geloofd, oftewel alles wat geloofd wordt, of dat er nu liefdevol of als totale haat en alles wat daar tussen zit, uitziet, of het nu wel of niet spiritueel, religieus of atheïstisch is, het is slechts een nietig dwaas idee, een filmbeeldje dat meteen weer weg is zodra het er lijkt te zijn en eindeloos herhaald moet worden door het geloof om zijn geloofwaardigheid in stand te houden…

Geloven stopt als het stopt, vragen wanneer?, doet stoppen weer in een geloof veranderen wat stoppen weer tot een actie maakt en geloof weer een projector wordt.
Dat wat er nooit was of is heeft geen vragen…

 

Het probleem is niet het ego, maar het GELOOF in een ego.
Het ego is niet een ‘ding’, of een ‘iets’, buiten mij of in mij, het is een GELOOF.
Dus ook zonde, schuld en angst (de drieoneenheid van het ego) zijn niet het probleem, maar het GELOOF erin.
Dus is het zaak mijn GELOOF erin terug te nemen en het te vergeven en het vooral niet serieus te nemen.
Het ego is een nietig dwaas idee waarom de Zoon van God (wij als denkgeest) vergat te lachen en er serieus in ging geloven.

Op het moment dat ik bereid ben een door mij uitgekozen pad als bijvoorbeeld ECIW te volgen, sta ik mijzelf toe ‘anders’ te gaan willen kijken dan ik tot dan toe gewend ben.
Ik gebruik altijd de ‘ik’ vorm, omdat ik er vanuit ga dat er alleen denkgeest is en wel één denkgeest waarin alles met alles verbonden is. Dus als ik ‘ik’ zeg bedoel ik daar alles en iedereen mee, alleen ik kan het alleen zien vanuit het focuspunt van wat ik ‘ik’ noem, want dat is wat ik geloof dat ik ben.
Daarom lijkt het ook alsof we allemaal op een verschillende manier bij de Cursus zijn uitgekomen. Vanuit mijn focuspunt was dat de uitkomst van een levenslang gevoel van een vaag gemis wat ik maar niet kon duiden en waarvan ik het gevoel had dat het bij wijzen van spreken op het puntje van m’n tong lag, maar ik kon er maar niet bijkomen. Er waren momenten dat de sluier even opgelicht leek te worden en ik dacht, ja, ja, ja dát is het, maar dan was het alweer weg, achter de sluier van ‘het vergeten’…
ECIW was voor mij de missing link, dit is mijn pad, de uitgang, ervoer ik meteen, ik ben bereid hier vol voor te gaan, en na een diepe ontroering, eigenlijk wel een openbaring, tijdens het lezen van T1.II, aanvaardde ik ‘Jezus’ voor mij het symbool en de herinnering aan de oordeelloze Liefde die ‘ik’ ben.
En ik heb die ‘hand’ nooit meer losgelaten.

ECIW ontmoet ‘mij’ precies waar ik denk en geloof te zijn.
Mits ik dat aanvaard, want ik weet om te beginnen helemaal niet waar ik werkelijk denk te zijn.
Waar ik denk te zijn is wat ik zie en geloof dat ik zie en denk te zijn. In een wereld, in een lichaam te midden van andere lichamen dingen en situaties.
Dat is zoals ik wat ik mijzelf noem, zie en ervaar.
En hoe ben ik daar gekomen, waarom zie en ervaar ik mezelf zo? Doordat ik dat zelf heb bedacht en geprojecteerd. Niet het zelf ‘lichaam’, maar het zelf ‘denkgeest’.
En tegelijkertijd was daar de zelfopgelegde opdracht, en dat mag ik me nooit meer herinneren.

ECIW ontmoet mij daar waar ik denk te zijn, in mijn geloof een lichaam te zijn en als er in dat geloof in een lichaam te zijn te midden van andere lichamen en situaties een klein beetje twijfel binnensluipt. En ik me vertwijfeld afvraag, ‘is dat wel zo’, ben ik wel wie en wat ik denkt te zijn, of is er meer…?
En op dat moment vallen er gaten in de dunne gedachtesluiers die ik tussen wat ik werkelijk ben en wat ik niet kán zijn en komt de herinnering aan wat ik probeer te verbergen én vergeten even naar boven.
Er ligt namelijk niet een dikke verdedigingsmuur tussen wat ik niet ben en wat ik wel ben, het is eigenlijk slechts één nietig dwaas idee, waarin ‘ik’ serieus nam dat ik afgescheiden kon zijn van Eenheid, van Liefde, van God.
Maar zo ervaar ik dat nog niet, ik ervaar mijzelf dan nog in een wereld van vormen en lichamen en situaties, waar het recht van de sterkste telt en dat bevochten moet worden van de wieg tot het graf.
Dáár ontmoet ECIW of een ander pad ons, en dat kan ook niet anders, want ook zoiets als ECIW is een projectie vanuit de ene denkgeest. Dus alles komt vanuit één, ook als het vanuit schijnbare afscheiding komt; de egodenkgeest, er is ook maar één egodenkgeest.
Als ik ECIW als een door ‘mij’ gekozen pad kies zou het ook logisch zijn dat ik ervoor kies het pad te volgen, maar aangezien een gedeelte van de ene denkgeest zich denkt te kunnen afscheiden van éénheid, is er ook een stuk weerstand tegen in dit geval het doen van ECIW.
En in die weerstand vindt de ontmoeting plaats, de weerstand kan nu worden ingezet als de sleutel naar het terug herinneren in wat ik Ben en waar ik nooit uit ben weggegaan.
Ik heb nu dus de keuze de weerstand die ik voel serieus te nemen als weerstand komende vanuit en door iets of iemand buiten mij aangedaan, of de weerstand te zien als mijn eigen denkgeest verdediging tegen mijzelf terug te herinneren in wat ik werkelijk ben, namelijk denkgeest en niet een lichaam.

Ik heb dus het waarnemen van mijn weerstand nodig om te bepalen welk doel ik eraan wil geven.
Wil ik mijn gedachten gebruiken om mij afgescheiden te houden van wat ik in werkelijkheid ‘Ben’ (denkgeest), wil ik dus het doel van de wereld volgen, het doel dat ik er als in mijn hoedanigheid als egodenkgeest aan wil geven, of wil ik leren hier ‘anders’ naar te kijken en het leren zien als vergevingsmateriaal, een waardevolle vergevingskans om me te laten terug herinneren in wat ik ‘Ben’ (denkgeest).
Het doel bepaal ‘ik’, als de keuzemakende denkgeest. Niet het lichaam beslist, want het lichaam is en blijft een projectie en kan ook alleen maar op die manier in dienst staan van de egokant van de denkgeest, of in dienst van de HG-Kant van de denkgeest. Dit haalt mij ook uit de slachtoffer rol me een speelbal van het lot te voelen. De keuzemaker bevindt zich in ‘mijn’ denkgeest en ik ben verantwoordelijk voor de keuze.

ECIW ontmoet ons waar we denken te zijn en dat is precies waar we NU denken te zijn. Elke gedachte beeldt precies uit waar we zijn, dat is dus wat we kunnen leren waarnemen als dat wat er is, en dat als leermateriaal, leerkans en tevens vergevingsmateriaal en vergevingskans kunnen leren laten her-gebruiken.
Ons huidige leven precies zoals we dat elke seconde beleven is het perfecte leer/vergevingsmateriaal. We zijn precies waar we zijn. Niets is verkeerd, fout of zondig. Het is op zich onschuldig en neutraal, ik als denkgeest geef er betekenis aan.
En geef ik er betekenis aan vanuit egodenkgeest, dan zal ik angst ervaren in de vele duizenden vormen waarin angst zich kan uit projecteren. Geef ik er betekenis aan vanuit mijn HG denkgeest kant, dan zal ik geen angst ervaren, en zal ik al mijn weerstandsgedachtes zonder angst onder ogen durven zien en ze dan ook een andere functie kunnen geven, namelijk die van vergevingsmateriaal en vergevingskans.

Het zogenaamde in de toekomst kunnen kijken, voorspellen dus, is niets anders dan een inkijkje krijgen in wat al gebeurt is en is eigenlijk precies hetzelfde als terugkijken in een verleden.
De Cursus zegt dat alles al gebeurt is in dat ene moment van ‘een nietig dwaas idee’, waarbij er een dwaas idee was (en nog steeds is bij elke gedachte) dat het mogelijk is afgescheiden te raken van Eenheid, van Waarheid, van God.
In dat ene moment leek dat te gebeuren wat niet kán gebeuren, maar wel leek te gebeuren door het geloof in, dat één, twee kon worden.
Eén enorme projectie van gedachtes die tegengesteld zijn aan de Ene gedachte.
De Ene gedachte, die Waarheid is, heeft maar één eigenschap en dat is Liefde, liefde zonder tegenstelling.
De onmogelijke afscheidingsgedachte moet dus wel het tegenovergestelde van Liefde zijn en dat is angst. En angst heeft de neiging zich te verstoppen, te verbergen achter een verdedigingsmuur. Ziedaar de egodenkgeest, de onmogelijke andere keuze (tweeheid) binnen het enige mogelijke: Liefde (Eenheid).

Dat ene moment van vluchten uit Eenheid veroorzaakte, en veroorzaakt nog steeds, tweeheid en splitst Liefde op in ego liefde en ego angst.
Zoals we al eerder besproken hebben gebeurde dit in één flits (explosie, big bang) en was daarna ook meteen weer verdwenen. Een explosie begint en stopt ook weer.
En in die ene explosie versnipperde Eenheid in miljarden stukje, dat wat wij nu denken te zien als de wereld, ons lichaam, andere lichamen, dingen en situaties. En al die miljarden snippertjes denken nog steeds dat het echt gebeurt is, omdat we geloven dat we snippertjes zijn. Dat geloof zit in alle snippertjes, dus ook in voorwerpen, want wat één is blijft één, ook al denken we iets anders te zien.
In al die snippertjes zit dus ook nog steeds de herinnering aan Eenheid.
Dat wordt duidelijk als de denkgeest aan het ontwaken is uit de illusie en zich als waarnemende denkgeest kan waarnemen en van daaruit kan kiezen, voor afscheiding of terugherinneren in Eenheid.
Dus Eenheid is nog steeds onveranderlijk één. Alles wat dus veranderlijk lijkt te zijn is ook nog steeds onveranderlijk één. Ook de keuze voor de zogenaamde afgesplitste egodenkgeest is een onmogelijke keuze en daardoor slechts een illusie van dat het wel kan.

Hoe dan ook Eenheid kan nooit twee worden, kan nooit vernietigd worden. Het logische gevolg daarvan is dat zich alles nog steeds in Eenheid bevindt, of we dat nu als afgescheiden ervaren of niet, ‘er is niets gebeurt’.
Bij sommige afgescheiden deeltjes (wij dus) lijkt de herinnering aan de onveranderlijke Eenheid wat sterker aanwezig, dan bij andere deeltjes en dat kan zich onder andere uiten door in de toekomst te kunnen kijken. Alleen wordt dat meestal verkeerd, ook weer vanuit afscheiding bekeken en als een bijzonder gaven in de tweeheid gezien.
Het is echter, nogmaals, niets anders is dan een doorkijke hebben in alle mogelijkheden die in dat ene moment van afscheiding maar mogelijk leken te worden en op een schijnbare horizontale lijn van tijd en ruimte werden geplaatst.
In dat ene wat een verticale moment was en is, waren daar even in een flits alle projecties die maar mogelijk zijn in de egodenkgeest . En zo’n mogelijkheid en van alle mogelijke mogelijkheden zie je als je ineens een toekomst of verleden flits hebt of een déjà vu. Het is een déjà vu, OMDAT het al gebeurt is. Het hele leven, de hele wereld is een déjà vu.
Het heeft dus niets met voorspellen te maken, het is simpelweg een mogelijkheid die al gebeurt is. Vandaar dat niet alle toekomstvoorspellingen ook uit komen. Wat in een flits ‘gezien’ wordt is slechts een van de vele mogelijkheden die allemaal al gebeurt zijn.
Ik zeg altijd, als je het kan bedenken betekent dat alleen maar dat het al gebeurt is.
Elke gedachte gebeurde in één keer ten gevolgen van dat ene nietig onmogelijke dwaze idee.
En wat is het beste wat je met een nietig dwaas onmogelijk idee kan doen, het terug sturen naar waar het vandaan kwam, terug naar de bron, de (be)denkgeest en het vergeven, zodat de Eenheid symbolisch wordt hersteld. Symbolisch, omdat we alleen ons geloof erin maar hoeven te vergeven, in werkelijkheid is er niets gebeurt.

Tijd is een zich steeds herhalende gedachte van afscheiding.
‘Een nietig dwaas idee’ (T27.VIII.6:2) dat zichzelf steeds herhaalt elke seconde weer, want zodra ‘een nietig dwaas idee’, als een tik in de tijd opkomt, vernietigt het zichzelf ook weer meteen en moet dus weer herhaalt worden, steeds weer, zodat er een continuüm lijkt te ontstaan.
Door elk ‘nietig dwaas idee’ tevens te projecteren, lijkt tijd een vorm aan te nemen en lijkt er een verleden, een heden en een toekomst te zijn, en ontstaat dat wat wij leven noemen. Een leven in een wereld, in een lichaam, omringt door andere lichamen, dingen en situaties, waarvan wij overtuigt zijn dat dat is wat we zijn en we totaal vergeten zijn dat het nog steeds allemaal voortkomt uit de denkgeest die droomt dat het onmogelijke mogelijk is.
Echter dit alles blijft wat het is, een illusie, een droom, een gedachte, gedacht door de denkgeest die de illusie van tijd gebruikt om zich af te scheiden van zijn onveranderlijke Zijn, van Eenheid.
Dit vreemde ‘onnatuurlijke’ denksysteem brengt onvermijdelijk, door zijn ‘onnatuurlijkheid’, gevoelens van onaangenaamheid met zich mee, mild uitgedrukt.
Als we heel eerlijk zijn voelen we ons voortdurend ongemakkelijk, ongelukkig, ontevreden, depressief, niet lekker, afgewisseld met wat betere gevoelens, net zo grillig en onvoorspelbaar als het weer. We voelen ons slachtoffer van omstandigheden buiten ons wat weer het gevoel van zonde, schuld en angst versterkt, wat weer de tijdlijn verleden (zonde), heden (schuld) en toekomst (angst) in stand houd. Kortom een gesloten (ego)denksysteem een perpetuum mobile.

Deze vergissing, want meer is het niet, is onschuldig van wegen zijn droom aard.
Want waarom zouden we een droom die niets anders is dan een vergissing over wat we werkelijk zijn, waar willen maken?
En precies dat is wat we doen, we willen kost wat kost het ´nietig dwaas idee´ waarmaken en zo onze dromen doen uitkomen.
We zeggen het zelfs letterlijk, ´ik wil mijn dromen laten uitkomen´, ´mijn droom is: ‘rijk worden´, ´de lotto te winnen´, ‘een mooier en groter huis´, ‘een mooie auto´, ´een betere partner´, ´gezonder worden´, ´dunner worden´, ´dikker worden´, ‘mooier worden’, ´kinderen krijgen´, een betere baan´, ´een beter milieu´, ´einde van geweld´, ´vechten voor mijn idealen´, ´vechten tegen iemand anders idealen´, en nog zo´n miljard andere droom idealen. Dromen waar maken dat is wat we willen.
Maar het enige wat uitkomt is dat we ons dieper ingraven in de droom en blijven dromen om dát ´waar´ te maken wat onmogelijk ´waar´ kan zijn, zo blijft de droom in stand. En dat is wat we willen, want het dient allemaal om te verbergen dat we dit allemaal zelf bedacht hebben en de bedenkers zijn van al deze dromen. En vooral verborgen blijft dat we denkgeest ZIJN en niet onze dromen.

Er is maar één uitweg uit een droom en dat is ontwaken uit de droom.
Als ineens ergens begint te dagen, dat dromen najagen gewoon niet echt werkt, dan dringt er een straaltje ‘Herinnering’ door, waardoor ineens de gedachte opkomt: ‘Er moet een andere weg zijn’.
En dan kan de droom een andere wending krijgen, een ander doel, niet meer mijzelf nog verder ingraven in de droom, maar door al dat droommateriaal (mijn dagelijkse leven, mijn ervaringen) een andere functie te geven, namelijk die van middelen tot ontwaken uit de droom.
Een cursus in wonderen is zo’n symbool wat staat voor een straaltje ‘Herinnering’ wat plotseling daagt in de denkgeest en de droom een andere wending kan geven.
Dan daagt in de denkgeest van de dromer van de droom het besef en de wil dat het tijd wordt om te Ontwaken.
En dan begint de weg terug, het terugnemen van het ‘nietig dwaas idee’, door elk ‘nietig dwaas idee’ te vergeven, omdat het niet meer is, was en zal worden dan ‘een nietig dwaas idee’.

‘Het is ridicuul te denken dat de tijd de eeuwigheid kan omringen, die juist betekent dat er geen tijd bestaat’ (T27.VIII.6:5).

%d bloggers liken dit: