archiveren

Maandelijks archief: maart 2015

Ik laat Margot Krikhaar hier ook even aan het woord, want ook zij heeft over ‘haat’ en ‘zelfhaat’ geschreven in haar tweede boek ‘De grote bevrijding’ op pagina 68 in het hoofdstuk 5.4 Het ontstaan van het valse zelf:

De drie lagen van het zelfbeeld

Ons zelfbeeld is opgebouwd uit drie lagen, waarbij elke laag de verdediging vormt van wat eronder ligt. Deze drie lagen worden gevormd door (1) zonde, schuld en angst, (2) dader/aanvaller, (3) slachtoffer/gezicht van onschuld (zie figuur 7: De drie lagen van het zelfbeeld). Het lichaam wordt gebruikt om dit zelfbeeld uit te drukken. De onderste laag is schuld en angst. Zoals we zagen komt deze schuld voort uit de afscheidingsgedachte, en gaat schuld altijd gepaard met angst.
Schuld en angst vormen de verdediging tegen ons ware Christus Zelf dat eronder schuilgaat. Het is het eerste (innerlijke) ‘schild van vergetelheid’ van het ego (zie paragraaf 4.3). In deze laag zit naast schuld en angst ook verdriet:
verdriet om de onschuld die verloren lijkt te zijn (zie P2.IV.1:7).
De volgende laag, die bovenop de schuld en angst ligt, is die van daderschap of aanval. Schuld moet vanuit het ego naar buiten worden geprojecteerd.
Dit leidt tot aanval op anderen door hen als schuldig en onwaardig te zien, en daarmee ‘een aanval waard’. Dit gaat altijd met haat en woede gepaard.
Deze agressieve aanvallen worden vervolgens ook weer afgedekt, en hiervoor dient de derde verdedigingslaag. Dit is de bovenste laag, waarmee we ons aan anderen laten zien. Deze laag bestaat uit slachtofferschap of “het gezicht van de onschuld” (T31.V.2:6).
Vanuit dit deel van het zelfbeeld voel je je slachtoffer van de ‘schuldige’ en ‘vijandige’ anderen die jou naar jouw mening iets willen aandoen en voortdurend bedreigen. Of je voelt je slachtoffer van wereldse of lichamelijke factoren buiten jouw controle. Het gevoel van bedreigd worden door anderen of situaties komt uitsluitend voort uit je eigen schuldprojecties, maar deze zijn uit het bewustzijn gewist. De innerlijke schuld is nu buiten je geprojecteerd en lijkt helemaal niets meer met jouzelf te maken te hebben. Jij kan er niets aan doen, zo lijkt het; je wast je handen in onschuld en lijdt door de schuld van anderen. Deze laag gaat gepaard met gevoelens van machteloosheid en frustratie, met afzijdigheid (je willen afkeren van anderen of van de wereld, of juist heel veel afleiding zoeken in de wereld), en vaak ook met verdriet. Maar dit zijn krokodillentranen: het verontwaardigd ‘lijden’ om anderen te beschuldigen van wat jou is ‘aangedaan’, terwijl de eigen projectie hevig ontkend wordt. En uiteraard roept dit idee van slachtofferschap ook woede en angst op.

Schuld is het fundament van het zelfbeeld, en dat is dan ook wat we diep van binnen zullen voelen zolang we met ons afgescheiden ‘ik’ geïdentificeerd blijven. Schuld voelen is een regelrechte kwelling en dat is uiteraard de redden dat het ego het uit alle macht probeert te ontkennen en projecteren. Maar omdat hij daarmee niet echt verdwijnt, blijft hij wel degelijk voelbaar en komt meestal bij de minste of geringste aanleiding tevoorschijn.
De ontologische afscheidingsschuld ervaren we psychologisch – op het niveau van het individuele zelf – vooral als zelfhaat. Bij zelfhaat kun je denken aan gevoelens van minderwaardigheid, tekortgeschoten zijn, ontoereikendheid, falen, onzekerheid en zelftwijfel. We kennen het ook als schuldgevoelens over allerlei zaken die we menen ooit verkeerd gedaan te hebben. Maar het basisgevoel van schuld gaat nog veel verder dan het gevoel iets verkeerds gedaan of gezegd te hebben. Het is een diep gevoel van verkeerd zijn. De basis van ons valse zelf is dus een diepgaand en kwellend gevoel van in de kern volkomen verkeerd en fout zijn. Het egozelf is als gevolg hiervan een diepe ervaring van kleinheid, iets wat soms wordt gecompenseerd door wat de Cursus ‘grootheidswaan’ noemt. Kleinheid (minderwaardigheid) en grootheidswaan, waarbij de pijn en angst overschreeuwd worden door verschillende vormen van stoerheid, flinkdoenerij of arrogantie, worden zo twee egokanten die elkaar voortdurend kunnen afwisselen, afhankelijk van de situatie.

“Grootheidswaan is altijd een dekmantel voor wanhoop. Het is iets hopeloos, omdat het niet werkelijk is. Het is een poging om je kleinheid te compenseren, gebaseerd op de overtuiging dat die kleinheid werkelijk is” (T9.VIII.2:1-3).

… en nog twee zeer behulpzame aanhalingen uit ECIW:

“Niets kan jou kwetsen, tenzij jij het de macht daartoe geeft” (T20.IV.1:1).

en:

“Het geheim van de verlossing is slechts dit: dat jij dit jezelf aandoet. Wat ook de vorm van de aanval is, dit is nog steeds waar. Wie ook de rol van vijand of van aanvaller op zich neemt, dit is nog steeds de waarheid. Wat ook de oorzaak lijkt van enig leed of lijden dat je voelt, dit is nog steeds waar. Je zou namelijk helemaal niet reageren op figuren in een droom waarvan je wist dat je die droomde. Laat ze zo haatdragend en kwaadaardig zijn als ze maar zijn, ze kunnen geen effect op jou hebben, behalve wanneer jij naliet in te zien dat het jouw droom is” (T27.VIII.10).

 

Dit wordt een stuk wat waarschijnlijk alleen begrepen kan worden door diegene die de Cursus doen. Want speciale haat onder ogen durven en leren zien is onmogelijk als niet begrepen wordt waar het vandaan komt en waar het voor dient.

Haat, de wereld is gemaakt vanuit haat, want haat is een projectie van afscheiding. Dat kan niet anders want het enige wat IS is Liefde, Eenheid en deze is onveranderlijk. Dat wat wij ervaren in onze wereld is alles behalve een uiting van Liefde en onveranderlijke Eenheid, dus moet het wel het tegenovergestelde zijn, en het tegenovergestelde van Liefde is haat en het tegenovergestelde van Eenheid is afscheiding, ziedaar dat wat wij onze wereld noemen, inclusief hoe we over onszelf denken.
Deze geprojecteerde zelfhaat en ‘alles-en iedereen haat gedachten’ zit verborgen achter de bijbehorende projecties.
Heel slim verborgen, zodat het bijna niet te zien is en simpelweg wordt ‘vergeten’.

Een lichte irritatie over iets of iemand, er lukt iets niet, er gaat iets niet zoals ik dat wil, ik heb een oordeel over iets of iemand, iets of iemand valt tegen, iets of iemand doet iets raars in mijn ogen, er gebeurt iets onverwachts, die politiek deugt niet, de financiële wereld deugt niet, enz. enz. het komt allemaal voort uit de pure haat die maar één doel heeft: afscheiden van Liefde. Ook als het er als liefdevol uitziet, dat zijn de lastigste om te onderkennen: ik hou van mijn kinderen, van mijn partner, van mijn familie, vrienden, vooral dat ‘mijn’, ze zijn ‘mijn’ vlees en bloed (de kinderen dan), ze zijn zoals ik en ze horen bij mij, ze denken zoals ik, ze behoren tot mijn clan en ik moet ze beschermen tegen de boze buitenwereld. En als iemand binnen die clan moeilijk gaat doen dan moet deze tot de orde worden geroepen en als dat niet lukt verstoten. Speciale liefde/haat noemt ECIW dit en komt voort uit het waar maken van de gedachte dat ‘wij’ mensen zijn, lichamen en dingen die met elkaar in contact staan en een leven leiden van geboorte tot de dood, een leven vol met strijd en lijden met hier en daar een snufje vreugde en geluk.

En dan is er nog de zelfhaat, die helemaal lastig is om onder ogen te zien, en terug te zien is achter projecties zoals: ik ben dom, lelijk, te dik, te dun, te streng, te lief, te meegaand, ze mogen me niet, alles wat ik doe gaat fout, ik ben de beste, laat mij dat maar doen, ik kan dit niet, ik ben de baas, ik voel me altijd in een hoek getrapt, ik heb geen geld, ik ben arm, ik ben stinkend rijk, ik moet mijzelf verdedigen, niemand kan mij raken, ik wil niet aangeraakt worden, raak mij aan, ik geef me over, blijf uit m’n buurt, ik mag dit niet, ik moet dit enz. enz. allemaal zelfhaat die niet gaat over waar het over lijkt te gaan in een wereld van lichamen, maar over de daarachter liggende ‘vergeten’ wil tot afscheiden van Liefde.

Willen we het pad van ware vergeving volgen en dat als onze enige functie zien, en full time ‘vergever’ worden, dan moet dit eerst allemaal onder ogen worden gezien, precies zoals het zich voordoet, inclusief alle emoties en gevoelens die hierbij horen. En dat maakt het lastig, want emoties en gevoelens zijn pijnlijk, zeer pijnlijk, en de egoreflex zal dan ook zijn, wegrennen van pijn, wegrennen van lijden. Niet omdat het pijnlijk is, maar omdat dat wat erachter verborgen ligt, dat wat we zijn: Liefde, en dus zonder lijden is, en niet herinnerd mag worden. Want einde lijden, einde haat betekent einde egodenkgeest, einde ‘ik’.
Einde aan iets wat er nooit is geweest overigens, dus ook niet verdedigt hoeft te worden.
Terug herinneren in Liefde is maar één gedachte verwijdert, niet een hele wereld, maar slechts één gedachte, en de taak van de egodenkgeest kant van de ene denkgeest is, om dat te vergeten en te verstoppen achter muren van projecties.

In de praktijk waar we ons nu eenmaal in lijken te ervaren, zal eerst de verdediging tegen Liefde onder ogen moeten worden gezien, stap voor stap, en stap voor stap moeten alle haat gedachten onder ogen worden gezien en als we dat willen, worden vergeven.
Dat is hard werken, want wil ik onder ogen zien dat ik bijvoorbeeld ‘mijn moeder/vader’ haat, of ‘mijn kinderen’? En dat ze zoals ik ze zie als lichamen ze helemaal niet geboren zijn uit liefde, maar uit de pure haat van de afscheiding?
En dat ik zolang ik ze als lichamen zie de haat alleen maar voortzet?
Dat is hard werken en heel veel bereidwilligheid hebben om het ‘anders’ te gaan zien.
En als ik het anders wil gaan zien, houdt dat in dat ik bereid ben de gedachte aan te nemen dat ik en alles wat ik zie en ervaar een gedachte is die zich projecteert in een vorm die ik dan lichamen, dingen en situaties noem en vervolgens autonoom maak en zodoende ‘vergeet’ dat het projecties zijn vanuit de denkgeest en ze niet zijn wat ik denk dat ze zijn, omdat ik ze zelf die betekenis heb gegeven.
Dit onder ogen gaan leren zien kan alleen onder leiding van de symbolen Jezus en of Heilige Geest, symbolen voor de verbindingsbrug met dat wat ‘we’ nog steeds onveranderlijk zijn: onveranderlijke, oordeelloze Liefde en Eenheid in God.

Pas als ik bereid ben dat te zien, en mijn (ego) functie als ‘vergeter’ te vergeven en bereid ben full time ‘vergever’ te worden, kan ik leren er anders naar te kijken. De vorm waarin het uit geprojecteerd werd kan dezelfde blijven, ik zal nog steeds een moeder zien, nog steeds kinderen enz., maar mijn gedachten erover zal zich 180 graden omkeren, ongeacht wat zich in de vorm afspeelt. Ik zal terugkeren naar het enige wat er is: Liefde en ik zal alles ervaren in het Licht van die Liefde. En niets zal daarvan uitgezonderd zijn.
En daar gaat ECIW over, niet over gedragsverandering, en of een betere wereld te maken, maar over gedachteverandering van de denkgeest.
Mijn haat gedachten, die ik eerst vol onder ogen moet zien, en vergeven, kunnen dan pas omgekeerd worden en zodoende in plaats van middelen tot afscheiding, de sleutels worden tot het terug herinneren in Liefde, de allesomvattende Liefde in God.

De wereld zal niet veranderen, want de wereld van de vorm is en blijft een projectie vanuit het geloof in zonde, schuld en angst en haat, daar is hij voor bedacht, maar mijn gedachten erover kunnen wel veranderen, en ik als denkgeest kan het voeden van zonde, schuld, angst en haat stoppen door deze te vergeven.
En dan ben ik op denkgeest niveau Werkelijk Behulpzaam voor de hele ene denkgeest, de Denkgeest die dan alleen nog vanuit Liefde denkt en uitbreid, en vanzelf zal alles wat ik dan nog doe in de wereld liefdevol zijn…

De vraag is dus steeds ben ik bereid dat wat ik nu als speciale liefde/haat zie en ervaar en onderken, om te laten keren terug naar Ware Liefde door mijn functie als full time ‘vergeter’ in te ruilen voor full time ‘vergever’ ?
En bij dit alles ook niet vergeten dat deze speciale haat en speciale liefde voortkomen uit een onmogelijk waanidee, dat we serieus zijn gaan nemen. Laten we dus niet vergeten te lachen om deze vergissing en het allemaal niet zo vreselijk serieus nemen…:

“In de eeuwigheid, waar alles één is, sloop een nietig dwaas idee binnen waarom de Zoon van God vergat te lachen. Door dit te vergeten werd de gedachte
een serieus idee, in staat tot zowel verwezenlijking als werkelijke gevolgen.
Samen kunnen we ze beide weglachen, en begrijpen dat de tijd geen
inbreuk kan maken op de eeuwigheid. Het is ridicuul te denken dat de
tijd de eeuwigheid kan omringen, die juist betekent dat er geen tijd bestaat”
(T27.VIII.6:2-5).

We, de (waarnemende/keuzemakende) denkgeest, moeten door het ´zwarte gat´, van de speciale haat, speciale liefde heen, teneinde te herinneren dat er alleen Liefde is. Vormloze alles omvattende Liefde.
Maar alleen omdat alle speciale liefde, speciale haat, projecties (vorm) zijn, en dus illusies, een droom, kunnen we, de waarnemende/keuzemakende denkgeest, dit volbrengen als we, waarnemende/keuzemakende denkgeest, daarvoor willen kiezen.
Zou de wereld geboren uit speciale haat en speciale liefde werkelijk zijn, wat wij, die willen vergeten denkgeest te zijn en denken dat deze wereld werkelijk is, geloven, dan is ontwaken of herinneren wat we werkelijk zijn, onmogelijk, we blijven dan een in dromen gelovende denkgeest.
Dus ons geloof in een wereld die werkelijkheid is, houdt ons, de denkgeest die wil vergeten, in de afscheiding.
Zonde, schuld en angst houdt ons in de illusie, het geloof in zonde, schuld en angst houdt de illusie waarin de denkgeest wil geloven in stand.
Alleen aan de ‘Hand’ van de herinnering (HG/J) die altijd nog aanwezig is in dat deel van de denkgeest dat weet dat de zonde, schuld en angst die ervaren wordt niet is wat deze lijkt te zijn zoals deze in de vorm waarin zonde, schuld en angst worden uit geprojecteerd en verschijnt, kan er worden terug herinnert, dwars door de ´zwarte gaten´ van de ervaringen heen.
Aan de ‘hand’ van het vergeten (ego), is dit niet mogelijk. Angst kan onmogelijk angst uit angst leiden, het zal de angst juist vergroten.
En ook dit moet onderkend worden, bijvoorbeeld als we uitroepen “die cursus werkt niet”, of we iets of iemand anders de schuld geven dat het niet werkt.
Allemaal zelf sabotage, wat eerst onderkend dient te worden.
Alleen de herinnering aan Liefde (HG/J) kan uit angst leiden, terug in Liefde.

Eerst moet onder ogen worden gezien dat alle speciale relaties, zowel liefde als haat relaties, die ik heb niet lijken te zijn wat ik bedacht heb dat ze zouden moeten zijn.
Ze hebben niets met liefde of haat te maken, ze zijn enkel en alleen een verdediging tegen wat ik, denkgeest, werkelijk ben: Één in God, Liefde alleen in staat tot uitbreiding van non-dualistische Liefde.
Dat wat ik als zogenaamd lichaam in een zogenaamde wereld met andere lichamen en dingen en situaties ervaar is slechts een afspiegeling van wat ik wens te denken en te zien, vanuit de wil tot afscheiding van Liefde. En daardoor kan ik, denkgeest, alleen speciale liefde en speciale haat uitbreiden. Ik kan het bewijs hiervan in al mijn relaties terug zien, als ik dat ten minste wil zien.

Besluit ik, als denkgeest, want lichamen beslissen niets, omdat ze niets zijn, slechts projecties vanuit denkgeest, dat er een andere manier moet zijn om te ‘zien’, dan begint de weg van het terug herinneren, dwars door alles wat diende als verdediging tegen het herinneren, en juist daardoor een verdediging werd. Dat wat ik mijn leven noem en als zodanig ervaar, is de verdediging tegen Liefde.

Elke ervaring uit verleden (zonde), toekomst (schuld) en nu (angst), kan nu als ik (denkgeest die zich wil herinneren) dat besluit het aan de ‘Hand’ van de herinnering (HG/J) anders laten gebruiken, nu als vergevingskans en vergevingsmateriaal.

En ja dit vereist bereidwilligheid en hard werken.
Niet in de zin van wat wij als zogenaamde lichamen als hard werken denken en geloven te ervaren, maar hard werken op het enige niveau wat er is, het denkgeest niveau, door elke gedachte die geprojecteerd wil worden onder ogen te gaan zien, inclusief de bijbehorende emoties en gevoelens, en louter en alleen als vergevingskans en vergevingsmateriaal te gaan willen zien.
Dwars tegen de aantrekkingskracht van de verslaving aan de egodenkgeest die opgericht is als verdediging tegen Liefde in.
Maar het is een liefdevol hard werken als we dit olv de altijd nog aanwezige Herinnering aan wat we werkelijk zijn: ‘Liefde’ doen.
Een hard werken, precies op maat gemaakt, nooit te veel, nooit te weinig, precies goed helemaal gebaseerd op ons eigen geloof in ons eigen nietig dwaas leventje, aan de hand van HG/J (de nog steeds aanwezige herinnering aan wat we werkelijk zijn) wat ons het benodigde vertrouwen zal geven dit aan te gaan in het vertrouwen dat de afloop alleen maar goed en liefdevol kan zijn.

Op het moment dat ik bereid ben een door mij uitgekozen pad als bijvoorbeeld ECIW te volgen, sta ik mijzelf toe ‘anders’ te gaan willen kijken dan ik tot dan toe gewend ben.
Ik gebruik altijd de ‘ik’ vorm, omdat ik er vanuit ga dat er alleen denkgeest is en wel één denkgeest waarin alles met alles verbonden is. Dus als ik ‘ik’ zeg bedoel ik daar alles en iedereen mee, alleen ik kan het alleen zien vanuit het focuspunt van wat ik ‘ik’ noem, want dat is wat ik geloof dat ik ben.
Daarom lijkt het ook alsof we allemaal op een verschillende manier bij de Cursus zijn uitgekomen. Vanuit mijn focuspunt was dat de uitkomst van een levenslang gevoel van een vaag gemis wat ik maar niet kon duiden en waarvan ik het gevoel had dat het bij wijzen van spreken op het puntje van m’n tong lag, maar ik kon er maar niet bijkomen. Er waren momenten dat de sluier even opgelicht leek te worden en ik dacht, ja, ja, ja dát is het, maar dan was het alweer weg, achter de sluier van ‘het vergeten’…
ECIW was voor mij de missing link, dit is mijn pad, de uitgang, ervoer ik meteen, ik ben bereid hier vol voor te gaan, en na een diepe ontroering, eigenlijk wel een openbaring, tijdens het lezen van T1.II, aanvaardde ik ‘Jezus’ voor mij het symbool en de herinnering aan de oordeelloze Liefde die ‘ik’ ben.
En ik heb die ‘hand’ nooit meer losgelaten.

ECIW ontmoet ‘mij’ precies waar ik denk en geloof te zijn.
Mits ik dat aanvaard, want ik weet om te beginnen helemaal niet waar ik werkelijk denk te zijn.
Waar ik denk te zijn is wat ik zie en geloof dat ik zie en denk te zijn. In een wereld, in een lichaam te midden van andere lichamen dingen en situaties.
Dat is zoals ik wat ik mijzelf noem, zie en ervaar.
En hoe ben ik daar gekomen, waarom zie en ervaar ik mezelf zo? Doordat ik dat zelf heb bedacht en geprojecteerd. Niet het zelf ‘lichaam’, maar het zelf ‘denkgeest’.
En tegelijkertijd was daar de zelfopgelegde opdracht, en dat mag ik me nooit meer herinneren.

ECIW ontmoet mij daar waar ik denk te zijn, in mijn geloof een lichaam te zijn en als er in dat geloof in een lichaam te zijn te midden van andere lichamen en situaties een klein beetje twijfel binnensluipt. En ik me vertwijfeld afvraag, ‘is dat wel zo’, ben ik wel wie en wat ik denkt te zijn, of is er meer…?
En op dat moment vallen er gaten in de dunne gedachtesluiers die ik tussen wat ik werkelijk ben en wat ik niet kán zijn en komt de herinnering aan wat ik probeer te verbergen én vergeten even naar boven.
Er ligt namelijk niet een dikke verdedigingsmuur tussen wat ik niet ben en wat ik wel ben, het is eigenlijk slechts één nietig dwaas idee, waarin ‘ik’ serieus nam dat ik afgescheiden kon zijn van Eenheid, van Liefde, van God.
Maar zo ervaar ik dat nog niet, ik ervaar mijzelf dan nog in een wereld van vormen en lichamen en situaties, waar het recht van de sterkste telt en dat bevochten moet worden van de wieg tot het graf.
Dáár ontmoet ECIW of een ander pad ons, en dat kan ook niet anders, want ook zoiets als ECIW is een projectie vanuit de ene denkgeest. Dus alles komt vanuit één, ook als het vanuit schijnbare afscheiding komt; de egodenkgeest, er is ook maar één egodenkgeest.
Als ik ECIW als een door ‘mij’ gekozen pad kies zou het ook logisch zijn dat ik ervoor kies het pad te volgen, maar aangezien een gedeelte van de ene denkgeest zich denkt te kunnen afscheiden van éénheid, is er ook een stuk weerstand tegen in dit geval het doen van ECIW.
En in die weerstand vindt de ontmoeting plaats, de weerstand kan nu worden ingezet als de sleutel naar het terug herinneren in wat ik Ben en waar ik nooit uit ben weggegaan.
Ik heb nu dus de keuze de weerstand die ik voel serieus te nemen als weerstand komende vanuit en door iets of iemand buiten mij aangedaan, of de weerstand te zien als mijn eigen denkgeest verdediging tegen mijzelf terug te herinneren in wat ik werkelijk ben, namelijk denkgeest en niet een lichaam.

Ik heb dus het waarnemen van mijn weerstand nodig om te bepalen welk doel ik eraan wil geven.
Wil ik mijn gedachten gebruiken om mij afgescheiden te houden van wat ik in werkelijkheid ‘Ben’ (denkgeest), wil ik dus het doel van de wereld volgen, het doel dat ik er als in mijn hoedanigheid als egodenkgeest aan wil geven, of wil ik leren hier ‘anders’ naar te kijken en het leren zien als vergevingsmateriaal, een waardevolle vergevingskans om me te laten terug herinneren in wat ik ‘Ben’ (denkgeest).
Het doel bepaal ‘ik’, als de keuzemakende denkgeest. Niet het lichaam beslist, want het lichaam is en blijft een projectie en kan ook alleen maar op die manier in dienst staan van de egokant van de denkgeest, of in dienst van de HG-Kant van de denkgeest. Dit haalt mij ook uit de slachtoffer rol me een speelbal van het lot te voelen. De keuzemaker bevindt zich in ‘mijn’ denkgeest en ik ben verantwoordelijk voor de keuze.

ECIW ontmoet ons waar we denken te zijn en dat is precies waar we NU denken te zijn. Elke gedachte beeldt precies uit waar we zijn, dat is dus wat we kunnen leren waarnemen als dat wat er is, en dat als leermateriaal, leerkans en tevens vergevingsmateriaal en vergevingskans kunnen leren laten her-gebruiken.
Ons huidige leven precies zoals we dat elke seconde beleven is het perfecte leer/vergevingsmateriaal. We zijn precies waar we zijn. Niets is verkeerd, fout of zondig. Het is op zich onschuldig en neutraal, ik als denkgeest geef er betekenis aan.
En geef ik er betekenis aan vanuit egodenkgeest, dan zal ik angst ervaren in de vele duizenden vormen waarin angst zich kan uit projecteren. Geef ik er betekenis aan vanuit mijn HG denkgeest kant, dan zal ik geen angst ervaren, en zal ik al mijn weerstandsgedachtes zonder angst onder ogen durven zien en ze dan ook een andere functie kunnen geven, namelijk die van vergevingsmateriaal en vergevingskans.

Het gevoel, de gedachte, het idee van het altijd beter te weten dan iemand anders, en dan hemel en aarde te bewegen om dat gelijk te bewijzen, het liefst nog onder het mom van behulpzaam zijn, is terug te voeren tot het mechanisme van de egodenkgeest om dát te projecteren waar het juist bang voor is en het dan om te keren ten gunste van zichzelf.

Er is een Weten wat onveranderlijk is en dat is God IS, Onveranderlijke Eenheid. Binnen dat Weten is geen ‘beter’ of ‘slechter’, ‘gelijk’, of ‘ongelijk’, mogelijk.
Hoewel het onmogelijk is om van Eén iets anders te maken dan Onveranderlijke Eenheid is het toch mogelijk gebleken dat in het proces van uitbreiden van Onveranderlijke Eenheid, Liefde, het idee is opgekomen dat de uitbreiding iets anders kan worden dan de Bron van de uitbreiding.
De uitbreiding van het onveranderlijke zag ineens een afscheidingsmogelijkheid tussen de bron en de uitbreiding daarvan. Dat de uitbreiding niet meer hetzelfde is dan de Bron, en kan veranderen. De uitbreiding gezien als méér dan zijn Bron, dus ánders dan de Bron.

Dat ‘méér’ moest dus dan nu wel het tegenovergestelde uitbreiden dan zijn Bron, want er moest méér zijn, meer, nu in de zin van ‘ánders’. En méér kan alleen méér zijn als het anders is dan zijn Bron, want anders is het gewoon weer méér van hetzelfde en dat is niet echt méér.
Méér werd dus ánders. Er ontstond een situatie van iets anders weten dan wat de Bron Weet. Ondertussen is het nog steeds onmogelijk in werkelijkheid om van Werkelijkheid iets anders te maken dan Werkelijkheid.
En toch leek het mogelijk, ‘ánders’ werd de nieuwe werkelijkheid en ontkende daarmee de Werkelijkheid. De werkelijkheid werd ‘vergeten’, maar verdween niet.
Het ‘ánders’ ging nu voor Werkelijkheid door en om dit te bezegelen maakte de nieuwe werkelijkheid zichzelf wijs: ‘Ik heb gelijk’. En dat ‘nieuwe weten’ moet verdedigd worden, tegen de Werkelijke Werkelijkheid, die nu ondergronds ging maar, nog steeds in het ondergrondse onbewuste aanwezig is. En die verdediging is: ‘ik heb gelijk’. Ik heb gelijk, ik weet het beter, is de mantra van het nieuwe weten en om dit nog meer te versterken wordt het uit geprojecteerd in duizenden vormen en bevinden we ons in een wereld met miljarden geprojecteerde lichamen die allemaal dat idee van ‘ik heb gelijk’, en ‘ik weet het beter’ als wapen gebruiken tegen elkaar. En lijken al die lichamen hun gelijk te willen halen over iets wat zich in de vorm lijkt te bevinden, maar ondertussen is het niets anders dan een afleiding en omkering van wat zich in de denkgeest afspeelt, namelijk dat het onmogelijke mogelijk is, namelijk dat uitbreiding van Eén, twee kan worden, ondanks het onveranderlijke FEIT dat Eén Onveranderlijk Eén is en blijft.

Het onmogelijke gelijk moet nu met hand en tand verdedigd worden, enkel en alleen, omdat als de verdediging losgelaten wordt het Ware Gelijk, dus de gelijkheid van Eén, gewoon weer tevoorschijn komt en blijkt dat er in werkelijkheid niets verdedigd hoeft te worden. Wat betekent dat het onmogelijke gelijk, uit geprojecteerd als de ‘ik’ als lichaam, simpelweg verdwijnt omdat het er nooit is geweest.
Dus gelijk willen hebben is niet gelijk willen hebben om de reden die ik denk. Het is niet het gelijk willen hebben over een bepaalde vorm of situatie, het is het gelijk willen hebben om het gelijk hebben, zodat dat wat werkelijk Gelijk heeft en IS verborgen blijft en er een ‘ik’ lichaam lijkt te zijn dat autonoom is en wel gelijk moet hebben, want anders verdwijnt het *poef* in het Werkelijke Gelijk, waar alleen Eén mogelijk is.

Dat zit er dus achter als we weer eens zeker weten dat we gelijk hebben en de ander het fout heeft.
De remedie?
Het onwerkelijke gelijk vergeven, zodat het door de nog steeds aanwezige herinnering aan het enige Gelijk, wat Gelijk aan Eén is, omgekeerd kan worden, terug-gekeerd dus in Gelijk, in Onveranderlijke Eénheid.

%d bloggers liken dit: