archiveren

Tagarchief: zoon van god

Van wegen Pinksteren, het feestje van de Heilige Geest plaats ik hieronder de volledige tekst uit het Handboek voor leraren, Verklaring van termen, 6. De Heilige Geest, uit Een cursus in wonderen, over wat de Cursus verstaat onder De Heilige Geest.
Een voorbeeld van het gebruik van “bekende” christelijke termen welke door de Cursus volledig worden omgedraaid en opnieuw worden gebruikt.
Veel studenten van ECIW komen veel weerstand in zichzelf tegen door het gebruik van deze bekende christelijke termen. Maar bedenk dat ECIW ook stelt dat we nooit onvrede voelen om de reden die we denken (les 5). De enige reden dat we onvrede voelen is altijd dat onze keuze voor het egodenken deze projecties van onvrede gebruikt om afgescheiden te blijven van Eénheid, Liefde, God, of hoe je de non-dualistische staat van de Geest ook wil noemen.
ECIW gebruikt alles wat het ego gebruikt om afgescheiden te blijven opnieuw, maar nu als vergevingsmateriaal en kans, een manier om de afscheiding ongedaan te maken en terug te herinneren in Geest, dat wat “we” in Wezen Zijn.
En bedenk tijdens het lezen dat ECIW ons nooit aanspreekt als zijnde een lichaam, maar als denkgeest. Ontken het echter niet als je je wel aangesproken voelt als lichaam, want dat is niet fout of zondig, maar slechts de keuze voor kijken via de egodenkgeest. En dat kan je geloven en als waar aannemen, of aan Heilige Geest Denkgeest geven, waar het dan zal worden her-gebruikt als vergevingskans. De keuze staat vrij en elke denkgeest kiest dat waar hij aan toe is en dat is dus altijd de juiste keuze voor dat moment.
Het heeft daarom ook geen zin om “iemand anders” er van te betichten of er op te wijzen dat deze “verkeerd” kiest, want de denkgeest kiest altijd dat waar hij aan toe is, en volgt schijnbaar zijn eigen individuele pad, omdat dat is wat de denkgeest die zich nog in een afgescheiden denkgeest toestand bevindt kan begrijpen.
ECIW ontmoet ons waar we denken en geloven te zijn.

6. DE HEILIGE GEEST

1. Jezus is de manifestatie van de Heilige Geest, die hij op aarde liet neerdalen
nadat hij was opgestegen ten Hemel, of anders gezegd, tot volmaakte
vereenzelviging kwam met de Christus, de Zoon van God, zoals Hij die
heeft geschapen. 2De Heilige Geest, die een schepping is van de ene
Schepper en met Hem schept naar Zijn gelijkenis of geest, is eeuwig en is
nooit veranderd. 3Hij was ‘op de aarde neergedaald’ in die zin dat het nu
mogelijk was Hem te aanvaarden en Zijn Stem te horen. 4Zijn Stem is de
Stem namens God, en heeft daarom vorm aangenomen. 5Deze vorm is niet
Zijn werkelijkheid, die God alleen kent, samen met Christus, Zijn werkelijke
Zoon, die deel is van Hem.

2. De Heilige Geest wordt door de hele cursus heen beschreven als Degene
die ons het antwoord op de afscheiding geeft en ons het Verzoeningsplan
brengt, waarbij Hij ons specifieke aandeel daarin vastlegt en ons precies
laat zien wat dat inhoudt. 2Hij heeft Jezus als leider aangesteld om Zijn
plan uit te voeren, aangezien hij de eerste was die zijn eigen aandeel volmaakt
heeft voltooid. 3Alle macht in de Hemel en op aarde is hem dan ook
gegeven, en hij zal die met jou delen wanneer jij het jouwe hebt voltooid.
4Het Verzoeningsprincipe werd aan de Heilige Geest gegeven lang voordat
Jezus dat in beweging zette.

3. De Heilige Geest wordt beschreven als de overblijvende Communicatieschakel
tussen God en Zijn afgescheiden Zonen. 2Om deze bijzondere
functie te vervullen, heeft de Heilige Geest een dubbele functie op zich genomen.
3Hij heeft kennis, want Hij is deel van God; Hij neemt waar, want
Hij werd gezonden om de mensheid te verlossen. 4Hij is het grote correctieprincipe;
de brenger van ware waarneming, de macht die onlosmakelijk
verbonden is met de visie van Christus. 5Hij is het licht waarin de vergeven
wereld wordt waargenomen, waarin alleen het gelaat van Christus
wordt gezien. 6Nooit vergeet Hij de Schepper, noch Zijn schepping. 7Nooit
vergeet Hij de Zoon van God. 8Nooit vergeet Hij jou. 9En Hij brengt jou de
Liefde van je Vader in een eeuwige schittering die nooit zal worden tenietgedaan,
omdat God die daar heeft geplaatst.

4. De Heilige Geest verblijft in dat deel van jouw denkgeest dat deel is van
de Christus-Denkgeest. 2Hij vertegenwoordigt je Zelf en je Schepper, die
Eén zijn. 3Hij spreekt namens God en ook namens jou, daar Hij met Beiden
verbonden is. 4En daarom is Hij het die bewijst dat Zij Eén zijn. 5Hij lijkt
een Stem, want in die vorm richt Hij Gods Woord tot jou. 6Hij lijkt een
Gids door een ver land, want die vorm van hulp heb je nodig. 7Hij lijkt
alles te zijn wat maar voldoet aan de behoeften die jij meent te hebben.
8Maar Hij wordt niet misleid wanneer jij ziet dat jouw zelf verstrikt is in
behoeften die jij niet hebt. 9Hiervan wil Hij je juist bevrijden. 10Hiertegen
wil Hij je juist beschermen.

5. Jij bent Zijn manifestatie in deze wereld. 2Je broeder roept jou op om
samen met hem Zijn Stem te zijn. 3Alléén kan hij de Helper van Gods Zoon
niet zijn, want alléén is hij functieloos. 4Maar verbonden met jou is hij de
stralende Verlosser van de wereld, wiens aandeel in haar verlossing jij
compleet hebt gemaakt. 5Hij zegt jou dank evenals hem, want jij stond met
hem op toen hij de wereld begon te verlossen. 6En je zult bij hem zijn wanneer
de tijd voorbij is en er geen spoor overblijft van de boosaardige dromen
waarin je danst op de magere melodie van de dood. 7Want in haar
plaats wordt de lofzang tot God een korte tijd gehoord. 8En dan is de Stem
verdwenen, en neemt ze niet langer vorm aan, maar keert terug naar de
eeuwige vormloosheid van God.
(VvT.6)

Mochten er vragen opkomen na het lezen van deze verklaring, dan wil ik die graag proberen te beantwoorden.

…. ach ja, denkt de gedachte terwijl het denken uit zijn eigen projectie zit te staren…:
de zich tot uitbreiden in staat zijnde denkgeest: “Zoon van God” is eigenlijk een gek geworden stukje denkgeest dat denkt en geloofd voor zichzelf begonnen te zijn, daar tegelijkertijd enorm van geschrokken is en doodsbang van wegen het resultaat en de gevolgen waar het nu in geloofd, met z’n magische toverstafje waanzinnig en totaal in paniek om zich heen aan het scheppen is zichzelf een nachtmerrie dromend die nu heel echt lijkt en waar niet uit te ontsnappen lijkt.

(Ik denk dan altijd aan de ballade van de tovenaarsleerling van Goethe later op muziek gezet door Paul Dukas, L’Apprenti Sorcier. En veel later door Disney bewerkt)

De van nature uitbreidende eigenschap “Liefde” van “de Zoon van God” is een nachtmerrie geworden van zonde, schuld en angst en verblind daarmee zijn natuurlijke eigenschap welke alleen Liefde kan uitbreiden, waardoor de onnatuurlijke eigenschap die nu alleen zonde, schuld en angst lijkt uit te kunnen breiden als waar wordt gezien en geloofd.
Maar helemaal God-dicht kan dat wat Waar, Eén, God, Liefde is niet weg geprojecteerd worden. Het Licht wordt niet gedoofd als de “Zoon van God” gek van angst en zijn geloof in schuld zijn “handen” voor zijn “ogen” houdt.

En uiteindelijk zal dan ook de alles omvattende en niets uitsluitende eigenschap van Liefde weer herinnerd worden en zal het “Licht” straaltje voor straaltje de zelfbedachte duisternis weg stralen, omdat er in werkelijkheid niets gebeurt is.

Het probleem is niet het ego, maar het GELOOF in een ego.
Het ego is niet een ‘ding’, of een ‘iets’, buiten mij of in mij, het is een GELOOF.
Dus ook zonde, schuld en angst (de drieoneenheid van het ego) zijn niet het probleem, maar het GELOOF erin.
Dus is het zaak mijn GELOOF erin terug te nemen en het te vergeven en het vooral niet serieus te nemen.
Het ego is een nietig dwaas idee waarom de Zoon van God (wij als denkgeest) vergat te lachen en er serieus in ging geloven.

Het doel van de wereld, van de egodenkgeest dus, is te vergeten dat we één zijn in God.
De wereld die wij hebben geprojecteerd is de sluier van vergetelheid die opgetrokken is om te verbergen en daardoor te vergeten dat we de ene Zoon van God zijn.
En opeens zie ik een van die sluiers duidelijk voor me.
Als wij, denkgeest één zijn in God, bevatten we hetzelfde ‘DNA materiaal’, denkgeest materiaal, als God. Daar kunnen we nooit van loskomen, ook al geloven we dat we dat wel gedaan hebben door zelf een wereld te maken die als doel heeft zich af te scheiden van éénheid, van God.
We kunnen dat alleen geloven, het is niet werkelijk gebeurt. En vragen waarom we dat dan hebben gedaan, is alleen maar proberen te bevestigen dat het is gebeurt en het dan bevragen.
De vraag is dus zinloos, en op z’n best kan deze vraag in handen van HG/J gelegd worden en vergeven, zodat helderheid over wat we werkelijk zijn terugkeert in ons geheugen.

Toen ik naar aanleiding van les 231: ‘Vader, ik wil me niets herinneren dan U.’ hierover zat na te denken en dan vooral over het idee dat als alles nog steeds onveranderlijk één is in God, alle verzinsels met hun projecties die wij gemaakt hebben in een bij voorbaat al tot mislukken gedoemde poging tot afscheiding van éénheid, van God, alle verzinsels met hun projecties ook nog steeds, om het zo maar eens te noemen, het God DNA bevatten.
En ineens begreep ik met een schok, waarom ik er altijd zo’n pest hekel aan had als bijvoorbeeld mijn moeder elke keer weer een lijst van uiterlijke en innerlijke familie karaktertrekken opnoemt, vooral die van mijn vaders kant, als ik bij haar op bezoek was en zo mijn ‘uniekheid’ ontkende en mij terugbracht tot een stapeltje nageaapte en van DNA geërfde eigenschappen. Dat doet ze nog steeds, maar ik heb er zogezegd geen ‘last’ meer van, het is vergeven.
En als afronding van de vergeving zie ik hier nu ook de afscheiding duidelijk in teruggespiegeld en kan ik het nu onder woorden brengen.
De vaststellingen van mijn moeder triggerde een aloude verborgen herinnering, namelijk het vergeten dat ik altijd en eeuwig op mijn Vader zal lijken, hoe ik dat ook probeer te verbergen of te ontkennen achter al mijn projecties. Het ‘God DNA’ raak ik nooit kwijt en blijft aanwezig in elke gedachte en dus ook in elke projectie. Wat een bevrijdende gedachte.

De Vader en de Zoon zijn en blijven Eén, en daar kan geen zelfgemaakte wereld iets aan veranderen.
Zoals in les 29: ‘God is in alles wat ik zie.’ wordt vastgesteld:

‘ Het idee voor vandaag verklaart waarom je in elk ding de totale bedoeling kunt zien. Het verklaart waarom niets afgezonderd is, op zichzelf of in zichzelf. En het verklaart waarom niets wat jij ziet iets betekent. In feite verklaart het elk idee dat we tot nu toe gehanteerd hebben en ook alle volgende. Het idee van vandaag vormt de algehele basis voor visie’ (WdI.29.1.1:5).

Het afkickprogramma van de Heilige Geest.

Denken, leven en werken vanuit de egodenkgeest heeft als enig doel het in stand houden van de verslaafde egodenkgeest; ENDI (Een Nietig Dwaas Idee) met zijn verslaving aan zonde, schuld en angst met als enig doel verslaafd te blijven aan de egodenkgeest. En dat is een gesloten waan-kringetje
.

Gelukkig heeft de Firma God & Zn een afkickkliniek: ‘Ik Rust in God’ waar liefdevol afgekickt kan worden van angst onder leiding van de Heilige Geest en Jezus en de genezen Zoon van God leert zijn werkelijke taak te vervullen: het uitbreiden van Liefde.


cold turkey

Interessant ineens een ego-overtuiging te onderscheppen die er eigenlijk altijd al was, maar zo normaal onderdeel uitmaakt van mijn ‘normale’ dagelijkse gedachtestroom ik deze nog niet eerder zo duidelijk opgemerkt had, ten minste nog nooit zo bewust duidelijk.

En dat is ‘afwijzing’. En aangezien er ook maar één ego-denkgeest is moet deze gedachte bij het hele zoonschap bekend zijn én herkenbaar.

‘De afscheiding is het idee van afwijzing. Zolang je dit onderwijst zul je erin geloven. (T6.II.18:4)’

En hoe vaak voel ik me niet afgewezen, een paar voorbeelden: als een mail niet beantwoord wordt, als iemand zijn afspraak niet na komt, als iemand te laat komt, als ik iemand naar me zie kijken, als iemand mij niet ziet, als ik niet de waardering krijg die ik denk verdient te hebben, of als ik juist wel de waardering krijg die ik niet denk verdient te hebben enz. enz. eigenlijk bij elke gedachte zit ook de gedachte van afwijzing altijd. Als ik heel eerlijk kijk en observeer als waarnemer zie ik in elke gedachte wel een vorm van afwijzing, hoe subtiel soms ook.

En het ligt zo voor de hand, bijna een basisovertuiging waaruit alle andere voort zijn gekomen.

Aan de bron ligt weer zoals bij alles de droom van afscheiding van God, uitgebeeld in oeroude verhalen, zoals de verbanning uit het paradijs, het basisverhaal voor uitbreiding van elke vorm van afwijzing.

Al observerend kom ik erachter dat bij elke gedachte die ik heb standaard, de gedachte en het gevoel van afwijzing schuilt, soms heel duidelijk, vaker verborgen en minder duidelijk.

Eigenlijk zorgt deze overtuiging van afgewezen te zijn en te worden er bij elke gedachte voor dat ik uit het ‘paradijs’ blijf, na de eerste droom van afwijzing door God.

Afwijzing als beveiliging tegen de Liefde van God.

‘Ze beseffen niet dat het afwijzen van God neerkomt op het afwijzen van hun eigen Identiteit, en in die zin is de dood het loon van de zonde. Dit dient heel letterlijk te worden verstaan: door het leven af te wijzen wordt het tegendeel ervan waargenomen, zoals alle vormen van afwijzing dat-wat-is vervangen door dat-wat-niet-is. In werkelijkheid kan niemand dit doen, maar dat je kunt denken dat je dit kunt en geloven dat je dit hebt gedaan, staat buiten kijf.

Vergeet echter niet dat het afwijzen van God onvermijdelijk uitmondt in projectie, waarbij je zult geloven dat anderen en niet jijzelf jou dit hebben aangedaan. Jij moet wel de boodschap ontvangen die je geeft, want het is de boodschap die jij wilt. Je gelooft misschien dat jij je broeders beoordeelt aan de hand van de boodschappen die zij jou geven, maar jij hebt hen beoordeeld aan de hand van de boodschap die jij hun geeft. Schrijf jouw afwijzing van vreugde niet aan hen toe, anders kun je de vonk in hen niet zien die jou vreugde zou brengen. De afwijzing van de vonk is het die depressief maakt, want iedere keer wanneer jij je broeders zonder die vonk ziet, wijs je God af.’ (T10.V.1:5-7, 2:1-5)

Zo werkt afwijzing als schild, als bescherming geprojecteerd op en buitenwereld;  als ik iets of iemand afwijs, kan de situatie of iemand mij ook geen pijn doen.

En als iets of iemand mij afwijst word ik gesterkt in het waanidee dat ik uit het paradijs gezet ben door God, en scheid mij verder af en zet zo het afwijzen zelf weer voort, naar buiten geprojecteerd in miljoenen variaties.

Enkele van die ‘creatieve’ ego oplossingen geprojecteerd in een buitenwereld, zodat ‘andere’ de schuld krijgen, zijn bijvoorbeeld: het onmiddellijk bagatelliseren van de afwijzing; ‘ach niets van aantrekken, niet op reageren, ik heb niets gehoord, ze weten niet beter, la maar gaan, gaat vanzelf wel over, de tijd heelt alle wonden, niet meer aan denken, ga maar wat anders doen’,  het onmiddellijk in de tegenaanval gaan: ‘kan mij het schelen, ik wil er niet eens bij horen als je zo doet, ik begin wel voor mijzelf, met mijn eigen door mij gekozen mensen, die op dezelfde lijn zitten.’, of vanuit woede: ‘klootzak ik krijg je wel, jou wil ik nooit meer zien, ik zal je vernietigen al is het het laatste wat ik doe’, in de slachtofferrol schieten: ‘ze moeten altijd mij hebben,er is mij onrecht aangedaan, ik ben ook zo stom, zo onhandig, ik ben zielig, ik ben in de steek gelaten, je houd niet van me, jij moet mij troosten, of iets moet mij troosten’. Of in de assertiviteit schieten: ‘ach kop op, flink zijn, doorgaan, ik ben echt beter en sterker en slimmer dan ‘zij’, let maar eens op’, of volslagen hulpeloosheid: ‘ik weet het echt niet meer, ik ben aan het eind van mijn latijn, alles zit tegen, ik heb alles geprobeerd.’ Dat zijn zo enkele ego-reacties en ego-oplossingen die ik bedenken kan geboren uit het waanidee van afwijzing en er zijn er vast nog wel meer te ontdekken.

‘Wanneer je bang bent voor wat jij bent waardeer je het niet, en zul je het zodoende afwijzen. Het gevolg daarvan is dat je afwijzing onderwijst.'(T6.I.17:4-5)

‘Allen die in afscheiding geloven, hebben een fundamentele vergeldings en verlatingsangst. Ze geloven in aanval en afwijzing, en dat is dus wat ze waarnemen, onderwijzen en leren.’ (T6.V.B.1:1-2)

‘Telkens wanneer je een broeder een zegening ontzegt, zul jij je misdeeld voelen, omdat afwijzing even totaal is als liefde. Het is even onmogelijk een deel van het Zoonschap af te wijzen als het ten dele lief te hebben. Evenmin is het mogelijk het zo nu en dan totaal lief te hebben. Totaal toegewijd zijn kun je niet af en toe. Afwijzing heeft op zichzelf geen macht,

maar je kunt er de macht van je denkgeest aan geven, waarvan de macht onbeperkt is.’ (T7.VII.1:1-5)

Is er dan niets wat er te doen valt…..?

Ja gelukkig wel, al deze gevoelens opmerken, waarnemen, onder ogen zien zonder een enkel oordeel erover, aan Jezus geven en vergeven.

Dan worden het stuk voor stuk sleutels tot bevrijding.

Wat een bevrijding al deze miscreaties onder ogen te zien en als onschuldig te kunnen waarnemen, als niet plaatsgevonden, slechts een vergissing, een bange, maar onschuldige droom van afscheiding.

Dus iedere keer dat ik me afgewezen voel, is dat een herhaling van de afscheidings- gedachte dat God mij uit het paradijs, de Hemel heeft gezet en ik derhalve moet lijden.

Iedere keer dat ik zo’n gedachte onderschep kan ik deze ego-bron gedachte bij de wortel uittrekken door deze samen met Jezus en of de Heilige Geest te vergeven.

En vooral God vergeven dat deze mij nooit uit het paradijs/de Hemel heeft kunnen zetten.

‘Zoon van God, jij hebt niet gezondigd, maar je hebt je wel zeer vergist. Dit kan echter gecorrigeerd worden en God zal jou daarbij helpen, want Hij weet dat je niet tegen Hem zondigen kunt. Je hebt Hem afgewezen omdat je Hem liefhad, terwijl je wist dat als jij jouw liefde voor Hem zou erkennen je Hem niet zou kunnen afwijzen. Jouw afwijzing van Hem wil dan ook zeggen dat je Hem liefhebt, en dat je weet dat Hij jou liefheeft. Bedenk dat je datgene wat je afwijst eens gekend moet hebben. En als jij afwijzing accepteert, kun je ook accepteren dat die ongedaan wordt gemaakt. Je Vader heeft jou niet afgewezen.’ (T10.V.6:1-6, 7:1)

Laat mijn denkgeest de Gedachte van God niet afwijzen.

Wijs de Hemel niet af. Hij is van jou vandaag, mits je erom vraagt. Je hoeft niet te zien hoe groot de gave is of hoezeer je denken veranderd zal zijn, voor hij tot jou komt. Vraag om te ontvangen en hij wordt je gegeven. Hierin ligt overtuiging. Tot jij hem als het jouwe verwelkomt, blijft de onzekerheid. Maar God is rechtvaardig. Zekerheid is niet vereist om te ontvangen wat alleen jouw aanvaarding schenken kan.’ (WdI.165.4:1-8)

 

Als denkgeest zich volledig terug-herinnerd in de Denkgeest dooft de vorm uit als een vlam die geen zuurstof meer krijgt.
 Niet meer gevoed door schuld/zonde/angst, de brandstof voor de ego-denkgeest, doven de projecties uit,

Het projectieapparaat staat stil.

De waarnemer ziet terug naar wat geweest is, tijdsflarden, onsamenhangend, door elkaar en allemaal tegelijk,

 terug naar één punt, terug in de Denkgeest.

Onwennig nog rust de Denkgeest in Geest, hoeft niets te doen, de droom is voorbij…

De dromer was iedereen, de droom leek velen maar was één.

Geen dromer, geen droom, alleen Denkgeest.

En dan schijnbaar nog in de droom, onwennig, verveeld, ongeïnteresseerd, tegenstribbelend, dor, daar niet meer willen zijn.

En toch het moet volbracht volledig, geen droomflard kan achterblijven, alles nu ‘gezien’ met ogen van vergeving en Liefde

Alleen voor het Ene: uitbreiden van Liefde en het helpen volledig terugtrekken van de droom in de Geest.

Werkelijke Behulpzaam zijn samen met Hem nu. De Zoon van God terug-herkennen in zijn Heelheid.

Ik Her-Ken jou Zoon van God, keer terug in de armen van je Vader je bent Thuis.

 

 

197_Picture18

 

 

 

 

%d bloggers liken dit: