archiveren

Tagarchief: onveranderlijk

Gelijk willen hebben, versus Gelijk Zijn.

Het gevoel, de gedachte, het idee van het altijd beter te weten dan iemand anders, en dan hemel en aarde te bewegen om dat gelijk te bewijzen, het liefst nog onder het mom van behulpzaam zijn, is terug te voeren tot het mechanisme van de egodenkgeest om dát te projecteren waar het juist bang voor is en het dan om te keren ten gunste van zichzelf.

Er is een Weten wat onveranderlijk is en dat is God IS, Onveranderlijke Eenheid. Binnen dat Weten is geen ‘beter’ of ‘slechter’, ‘gelijk’, of ‘ongelijk’, mogelijk.
Hoewel het onmogelijk is om van Eén iets anders te maken dan Onveranderlijke Eenheid is het toch mogelijk gebleken dat in het proces van uitbreiden van Onveranderlijke Eenheid, Liefde, het idee is opgekomen dat de uitbreiding iets anders kan worden dan de Bron van de uitbreiding.
De uitbreiding van het onveranderlijke zag ineens een afscheidingsmogelijkheid tussen de bron en de uitbreiding daarvan. Dat de uitbreiding niet meer hetzelfde is dan de Bron, en kan veranderen. De uitbreiding gezien als méér dan zijn Bron, dus ánders dan de Bron:

“In de eeuwigheid,
waar alles één is, sloop een nietig dwaas idee binnen waarom de Zoon van God vergat te lachen. Door dit te vergeten werd de gedachte een serieus idee, in staat tot zowel verwezenlijking als werkelijke gevolgen” (T27.VIII.6:2-3).

Dat ‘méér’ moest dus dan nu wel het tegenovergestelde uitbreiden dan zijn Bron, want er moest méér zijn, meer, nu in de zin van ‘ánders’. En méér kan alleen méér zijn als het anders is dan zijn Bron, want anders is het gewoon weer méér van hetzelfde en dat is niet echt méér.
Méér werd dus ánders. Er ontstond een situatie van iets anders weten dan wat de Bron Weet. Ondertussen is het nog steeds onmogelijk in werkelijkheid om van Werkelijkheid iets anders te maken dan Werkelijkheid.
En toch leek het mogelijk, ‘ánders’ werd de nieuwe werkelijkheid en ontkende daarmee de Werkelijkheid. De werkelijkheid werd ‘vergeten’, maar verdween niet.
Het ‘ánders’ ging nu voor Werkelijkheid door en om dit te bezegelen maakte de nieuwe werkelijkheid zichzelf wijs: ‘Ik heb gelijk’. En dat ‘nieuwe weten’ moet verdedigd worden, tegen de Werkelijke Werkelijkheid, die nu ondergronds ging maar, nog steeds in het ondergrondse onbewuste aanwezig is. En die verdediging is: ‘ik heb gelijk’. Ik heb gelijk, ik weet het beter, is de mantra van het nieuwe weten en om dit nog meer te versterken wordt het uit geprojecteerd in duizenden vormen en bevinden we ons in een wereld met miljarden geprojecteerde lichamen die allemaal dat idee van ‘ik heb gelijk’, en ‘ik weet het beter’ als wapen gebruiken tegen elkaar. En lijken al die lichamen hun gelijk te willen halen over iets wat zich in de vorm lijkt te bevinden, maar ondertussen is het niets anders dan een afleiding en omkering van wat zich in de denkgeest afspeelt, namelijk dat het onmogelijke mogelijk is, namelijk dat uitbreiding van Eén, twee kan worden, ondanks het onveranderlijke FEIT dat Eén Onveranderlijk Eén is en blijft.

Het onmogelijke gelijk moet nu met hand en tand verdedigd worden, enkel en alleen, omdat als de verdediging losgelaten wordt het Ware Gelijk, dus de gelijkheid van Eén, gewoon weer tevoorschijn komt en blijkt dat er in werkelijkheid niets verdedigd hoeft te worden. Wat betekent dat het onmogelijke gelijk, uit geprojecteerd als de ‘ik’ als lichaam, simpelweg verdwijnt omdat het er nooit is geweest.
Dus gelijk willen hebben is niet gelijk willen hebben om de reden die ik denk. Het is niet het gelijk willen hebben over een bepaalde vorm of situatie, het is het gelijk willen hebben om het gelijk hebben, zodat dat wat werkelijk Gelijk heeft en IS verborgen blijft en er een ‘ik’ lichaam lijkt te zijn dat autonoom is en wel gelijk moet hebben, want anders verdwijnt het *poef* in het Werkelijke Gelijk, waar alleen Eén mogelijk is.

Dat zit er dus achter als we weer eens zeker weten dat we gelijk hebben en de ander het fout heeft.
De remedie?
Het onwerkelijke gelijk vergeven, zodat het door de nog steeds aanwezige herinnering aan het enige Gelijk, wat Gelijk aan Eén is, omgekeerd kan worden, terug-gekeerd dus in Gelijk, in Onveranderlijke Eénheid.

Alleen waarheid is waar. Het kenmerk van waarheid is dat deze onveranderlijk is. Dus alles wat veranderlijk is is onwaar.
Als ik dat idee over mijn leven leg, dan is mijn leven en alle verdere leven dat ik ken en waarneem onwaar, inclusief dat wat zich “ik” noemt, want ook dat is enorm veranderlijk.

Het feit dat de gedachte er kan zijn dat alleen onveranderlijke waarheid waar kan zijn, maar dat dat kennelijk niet is wat als waar wordt aangenomen binnen onwaarheid, er vanuit gaande dus dat waarheid alleen waarheid is als het onveranderlijk is, geeft aan dat er iets anders moet zijn dan het veranderlijke wat een veranderlijke “ik” kan waarnemen.

Een ander bewijs dat er onveranderlijke waarheid moet zijn is dat de “ik” voortdurend opzoek is binnen onwaarheid, welke als kenmerk heeft veranderlijk te zijn, naar waarheid.
Dat is zoeken naar iets waar het onmogelijk kán zijn. Het zoeken op zich is dus al een onware handeling.
Waarheid kan niet gezocht worden, en niet gevonden worden door er actief naar te zoeken binnen onwaarheid.

En waarom is dat toch de belangrijkste motivatie en is elke handeling daar op gericht binnen de veranderlijke waarheid?
Omdat onwaarheid als functie heeft waarheid te verbergen. Onwaarheid moet dus actief in stand worden gehouden ten einde waarheid te verbergen. Een onmogelijke zoektocht die niet gericht is op vinden, maar juist op niet vinden, met als verborgen doel dat waarheid niet meer herinnerd mag worden.
Onveranderlijke waarheid is nu immers de grootste bedreiging voor veranderlijke (on)waarheid.
Aangezien dit hele mechanisme verborgen blijft achter een scherm van projecties, die de aandacht zeer succesvol afleiden van het doel van de veranderlijke (on)waarheid, namelijk uit waarheid zien te blijven, blijft de nu onwetende denkgeest/mind ijverig zoeken binnen de veranderlijke (on)waarheid naar waarheid, zich zogenaamd niet bewust van de onmogelijkheid ervan.

Wat doet het terug herinneren van dit vreemde onmogelijke en vooral onnodig mechanisme van het ontkennen van waarheid met dat wat de als “ik” vermomde denkgeest als zijn/haar leven is gaan zien en heeft aangenomen als waarheid?
Dat onvermijdelijke dreigende terug herinneren zal op de eerste plaats heftig ontkend worden, omdat het voelt als een rechtstreekse aanval op “mijn” waarheid. Deze ontkenning kan ook geuit worden als een schijnbaar omarmen van dit idee door razendsnel een onware versie van onveranderlijke waarheid te integreren binnen de veranderlijke (on)waarheid.
En elke keer als die zelfgemaakte waarheid toch eigenlijk ook weer veranderlijk blijkt te zijn, wat niet anders kan binnen nog steeds veranderlijke (on)waarheid, wordt deze weer aangepast, zodat het veranderlijke toch weer de schijn van onveranderlijkheid krijgt.

Een voorbeeld hiervan is dat god als iets daar buiten wordt gezien als vertegenwoordiger van de waarheid en het leven, maar dat diezelfde god als verschillend wordt gezien en ervaren en bevochten en verdedigd moet worden, onder het mom van “er is maar één god en dat is die van mij (ons)”.

Het gevolg van het onvermijdelijke terug komen van de herinnering aan onveranderlijke waarheid, is dat langzaamaan stap voor stap de schellen van de ogen vallen (van de denkgeest eigenlijk) en wordt gezien dat alles wat veranderlijk is niet waar kan zijn, omdat het veranderlijk is.
Dat betekent dat wat de “ik” “mijn leven” noemt per definitie niet waar kán zijn.

Heel begrijpelijk dat dat niet in één keer gezien wil worden, de weerstand tegen dit zien is dan ook enorm, hoewel het zich kan vermommen en ook doet in het schijnbaar juist wel willen zien, bijvoorbeeld door het enthousiast omarmen  de als “ik” vermomde denkgeest van een spiritueel pad.

De als “ik” vermomde denkgeest kan namelijk doen alsof de als “ik” vermomde denkgeest nu actief moet gaan zoeken naar waarheid wat niet lukt en zich vervolgens in een zware depressie denkt, waarbij de als “ik” vermomde denkgeest zichzelf gaat beschuldigen van het zondige besluit zich van waarheid (god) af te keren en het daardoor voorgoed verbruid heeft bij god, welke mij, de zondaar zal straffen en eeuwig zal blijven vervolgen. En wat ik verwerpelijke zondaar ook zal proberen om weer in een goed blaadje te komen bij god, ik zal me toch uiteindelijk moeten verantwoorden na mijn dood en maar hopen dat god een goeie bui heeft en mij toelaat in de eeuwigheid.
Kortom angst is nu mijn leidraad, mijn anker, mijn leermeester.

Deze angst is niet zomaar weg als in de als “ik” vermomde denkgeest begint te dagen dat het in angst leven toch eigenlijk ondragelijk is en dat er misschien toch een andere manier moet zijn, want dit kan toch niet waar zijn!?
Nee. precies dit kan niet waar zijn en is niet waar, omdat het onwaar is door de veranderlijkheid ervan. De situaties zijn niet waar of onwaar, de gedachtes die de situaties projecteren zijn onwaar, dus zijn de projecties ook niet waar.

Na het verwerken van deze eerste schokkende onthulling kan het schiften beginnen.
Stap voor stap is de denkgeest er nu klaar voor alles wat als waarheid werd gezien, nu te ontmaskeren als onwaarheid, door steeds de vraag te stellen is dit wat ik nu ervaar 100% waar of niet.
Dat zal in het begin van het proces van ontmaskeren alleen voor de schijnbaar dramatische projecties in mijn leven lijken te gelden, maar al gaande door het proces zal onvermijdelijk moeten worden aanvaard dat het voor elke gedachte geldt.
Van het meest verschrikkelijke wat gebeurt tot de kleinste bijna niet merkbare verstoring in mijn dagelijkse leven.
Tot definitief onthuld wordt dat de als “ik” vermomde denkgeest in zijn totaliteit onwaar is, van wegen zijn voortdurend en altijd veranderlijke aard.

Dit bevragen van of dat wat de als “ik” vermomde denkgeest ervaart waar of onwaar is, heeft dus niet als doel om een beter leven te maken, want dat zou weer de focus leggen op de projectie als zijnde de oorzaak en gevolg, wat gewoon weer de keuze zou zijn voor het waar maken van het veranderlijke onware.
Het doel van het bevragen is de onwaarheid van de als “ik” vermomde denkgeest te ontmaskeren.

De angst dat dit besef in één keer zal gebeuren is ongegrond, omdat de denkgeest precies dat kan denken wat het kán denken. Het is dus een geleidelijk proces, waarbij de denkgeest gedachte, voor gedachte wordt terug herinnerd door gedachte voor gedachte terug te nemen naar de bron en het daar te (ver)geven aan waarheid, in dat wat het eigenlijk van nature is: onveranderlijke waarheid.

Dus dat wat de als “ik” vermomde denkgeest heeft bedacht als vlucht voor onveranderlijke waarheid, namelijk dat wat de als “ik” vermomde denkgeest als zijn leven in een wereld ervaar, wordt nu her-gebruikt als de manier om terug te helpen herinneren in waarheid, door alles wat ik ervaar als een “ik” in mijn wereld als onwaar te zien en te vergeven.

Dit kan alleen onder leiding van een andere gids dan de gids van onwaarheid (ego), namelijk de gids van waarheid dat zich bevindt in dat gedeelte van de denkgeest dat de verbinding vormt met de herinnering aan onveranderlijke waarheid door zijn eigenschap oordeelloos te kunnen kijken naar de zelfgemaakte veranderlijke versie van onveranderlijke waarheid. En in staat is het veranderlijke te laten vergeven door de keuze te maken voor waarheid.
Met nadruk op keuze, niet op een uitvoering hiervan, omdat deze altijd weer vormgericht zal zijn en het toch weer draait om het verbeteren van de wereld en een beter leven voor de als “ik” vermomde denkgeest.

Een cursus in wonderen is een van de vele paden die niets meer of minder de reflectie zijn en uitbeelden van de herinnering aan Onveranderlijkheid die onveranderlijk nog altijd aanwezig is in elk schijnbaar afgescheiden stukje denkgeest. De herinnering kan alleen herinnerd worden als de denkgeest die voor veranderlijkheid heeft gekozen binnen het Onveranderlijke er aan toe is en bereid is de herinnering aan het Onveranderlijke weer toe te laten, en al het veranderlijke weer terug te laten keren middels ware vergeving in het Onveranderlijke, omdat aanvaard wordt dat niets het Onveranderlijke werkelijk kán veranderen naar een staat van veranderlijkheid.

Als dat proces van terug herinneren aanvaard wordt dan wordt alles wat veranderlijk is omgekeerd tot hulpmiddel weer terug te herinneren in het Onveranderlijke.
Dat doel is universeel de paden die ernaar toe leiden en de middelen die daarbij behulpzaam kunnen zijn, zijn divers en individueel.
Daarom is een pad als Een cursus in wonderen en elke andere methode een leermiddel wat nodig is zolang het proces van (ont)leren nog bezig is, daarna heeft het geen functie meer.
Het is niet de bedoeling dat een methode die bedoelt is terug te herinneren in het Onveranderlijke dezelfde functie krijgt als dat wat moet worden (ont)leert op het niveau van het veranderlijke, door er bijvoorbeeld iets speciaals als; het enige ware pad van te maken.
Dan krijgt de methode, het pad, gewoon weer de status van het veranderlijke. En veranderlijkheid moet of verdedigd of aangevallen worden.

Het is dus vooral zaak alert te zijn en blijven op de voortdurende weerstand van het veranderlijke, wat veranderlijk wil blijven, door dat wat het Onveranderlijke vertegenwoordigt het veranderlijke binnen te lokken, waardoor het Onveranderlijke niet verdwijnt of verandert, maar wel wordt geblokkeerd.

Mocht dit allemaal abstract klinken, pas het dan gewoon toe op jezelf en observeer hoe de ‘ik’ voortdurend probeert alles te veranderen door het beter maken of slechter (dat maakt voor het veranderlijk ego niet uit) van alle vormen die we in ons eigen leven ervaren en denken en geloven dat we dat zijn. En kijk dan of je wilt gaan zien dat al dat beter of slechter maken helemaal niet gaat om het beter of slechter maken van allerlei vormen en ervaringen, maar slechts één doel heeft; in het veranderlijke te blijven en uit het Onveranderlijke.
En kijk naar de weerstand die dit oproept, ook de weerstand is niet wat het lijkt.
Weerstand is het domein van het veranderlijke en helpt het veranderlijke in stand te houden, een andere functie heeft het niet.

Welke methode men ook kiest of niet kiest het terug herinneren in het Onveranderlijke is onvermijdelijk, omdat alleen het Onveranderlijke IS.
En daarom heeft het geen enkele zin om welke methode dan ook aan te vallen en of te verdedigen, want dat zegt alleen: “nee, ik wil gelijk hebben dat alleen het veranderlijke bestaat en dat wil ik niet, nooit, never opgeven.”
Dat zou in ieder geval een heel eerlijke observatie zijn, waarna de keuze gemaakt kan worden of ik dat echt meen en wil, of dat het het begin is van het willen terug herinneren in het Onveranderlijke…

Laten we nou eens voor de lol heel rationeel, logisch en als het even kan oordeelloos, gewoon observerend kijken en denken.
En laten we dan voor het gemak de observerende denkgeest als uitgangspunt als bron nemen en al is het maar voor de duur van dit blogje, de aanname aannemen dat er in werkelijkheid alleen EEN mogelijk is en twee onmogelijk is, wat zich ook eigenlijk wel zelf bewijst door het simpele feit dat twee (dualiteit) niet blijkt te werken, ook al blijven we proberen tot de dood er op volgt en zelfs dat maakt aan het wanhopige proberen niet een einde.
Waarom we dat blijven proberen tegen beter weten (want voor het gemak vergeten) in, heb ik in het vorige blog uitgelegd. Wat ik ga schrijven geen idee ik laat gedachten gewoon komen en gaan en schrijf ze onderwijl op.

Als er alleen EEN mogelijk is, en twee daardoor logischerwijs onmogelijk, hoe kan er dan conflict zijn?
Kan EEN in conflict zijn met zichzelf? Uh, nee…
Hoe kan het dan dat er wel voortdurend de ervaring is van conflict. Voor conflict is ‘twee’ nodig. Kan Onveranderlijk EEN twee worden? Nee….. tenzij het onmogelijke gelooft wordt.
Maar maakt het in iets geloven het ook ‘echt’? Nee, want het blijft een (onmogelijke) gedachte waarin wordt gelooft, waardoor het onmogelijke ineens mogelijk lijkt, maar ondertussen nog steeds onmogelijk is.
EEN hoeft niet te denken of zich bewust te zijn laat staan te vergeven, want waarom zou dat nodig zijn?

“In de eeuwigheid, waar alles één is, sloop een nietig dwaas idee binnen waarom de Zoon van God vergat te lachen. Door dit te vergeten werd de gedachte een serieus idee, in staat tot zowel verwezenlijking als werkelijke gevolgen” (T27.VIII.6:2-3).

God staat voor EEN de Zoon van God staat voor uitbreiding van Een. Uitbreiding van Een is niet twee, uitbreiding van EEN is uitbreiding van EEN.

“God deelt Zijn Vaderschap met jou, die Zijn Zoon bent, want Hij maakt geen onderscheid tussen wat Hijzelf is en wat nog steeds Hijzelf is. Wat Hij schept staat niet los van Hem, en nergens eindigt de Vader en begint de Zoon als iets afzonderlijk van Hem” (WdI.132.12:3-4).

Twee is dus onmogelijk.
Voor de duidelijkheid: EEN staat voor non-dualisme, is vormloos, twee staat voor dualisme, dat wat we (twee) de wereld, het universum met alles drop en dran noemen.

Dit lijkt allemaal theorie en gefilosofeer, maar stel dan even de vraag; door wie/wat?
‘Iets’ moet van EEN afweten en kunnen observeren dat er kennelijk ‘iets’ een andere onmogelijke afslag heeft genomen, waardoor EEN nu ook ineens als en in twee kan denken.
Twee die zich niet meer bewust is van EEN (want vergeten zie vorig blog) kan dit niet bedenken. Twee, die een ernstig vermoeden krijgt dat hier iets vreemds aan de gang lijkt te zijn wat niet helemaal klopt, met andere woorden zich begint te herinneren en daardoor in staat is te observeren los van totale identificatie met twee, kan dat kennelijk wel.
Er is binnen twee kennelijk nog de herinnering aan EEN. Dat moet ook wel want EEN kan niet vernietigt worden, alleen verdrongen, en vergeten worden.
En dat stukje herinnering binnen twee is in staat tot observeren.

Kennelijk is dat stukje herinnering nu aan het woord en wordt herkend of resoneert met een ander stukje herinnering.

En dan komt het erop aan in hoeverre dat tot observeren instaat zijnde stukje twee, twee zat is en eraan toe is ‘twee’ stap voor stap op te geven, waardoor vanzelf onvermijdelijk het terug herinneren in EEN het gevolg zal zijn.
Terug herinneren, niet terug keren, want EEN is alleen ‘vergeten’, en niet vermomd als twee echt weg geweest, ook al lijkt dat zo.

Dat wat nu de vraag voelt opkomen: “WAAROM???”, moet wel dat stukje twee zijn wat twee wil blijven.
“Waarom??” is immers een vraag welke een antwoord impliceert en een vraag en een antwoord is een variatie op ‘twee’, en houdt alleen maar de dualiteit in stand, wat dan ook precies het doel van de vraag is. Twee wil helemaal geen antwoord, twee wil gewoon in twee blijven en doet dat door vragen te stellen, vragen die niets anders zijn dan opgesplitst EEN.
En kan het onmogelijke mogelijk gemaakt worden, oftewel kan van Onveranderlijk EEN twee worden gemaakt? NEEN.
Beide kunnen onmogelijk samen gaan, dus er is of EEN of twee.

Kiest twee voor EEN vanuit het referentiekader van twee, dan is terug herinneren in EEN onmogelijk. Gewoon weer een slim idee van twee die voordoet dat het zich wil herinneren, maar de boel saboteert, door toch twee als uitgangspunt en referentiekader te nemen.
Kiest twee voor EEN vanuit het Vergeven van twee, dan is terug herinneren in EEN onvermijdelijk. Ware Vergeving wel te verstaan, het soort vergeving dat ziet dat er in werkelijkheid niets gebeurt is en dat EEN nog steeds onveranderlijk EEN is en dat wat zich als twee lijkt te manifesteren slechts een dwaze vergissing is, niet in staat om ook maar wat binnen EEN aan te richten.
Twee hoeft niet vernietigt te worden, want waarom zou wat er niet kan zijn vernietigt moeten worden. De gedachte van vernietigen kan dan ook alleen afkomstig zijn van twee.
Dat wat het terug herinneren wel als vernietigend ervaart moet wel dat stukje twee zijn wat tegenstribbelt en zich niet wil herinneren, maar dit zogenaamd onbewust verbergt achter het ogenschijnlijk wel willen.
Ook dit is niet hopeloos, want de ervaring van vernietigd worden, een gedachte die overigens onvermijdelijk is maar wel onderkent dient te worden, kan weer worden Vergeven door het stukje twee wat zich wel wil herinneren.

Dit hele verhaal lijkt misschien behoorlijk abstract, maar wie/wat denkt dit?
Zonder kennis te hebben van wat metafysica, dus van de bron welke achter de wereld van projecties ligt, zal het heel moeilijk zijn om een pad als ECIW te begrijpen.
Alleen de metafysica begrijpen zonder deze toe te passen in dat wat ik als mijn leven zie en ervaar, is ook een dood lopende weg.
Kennis hebben van de metafysica van in dit geval ECIW werkt het beste als ik het gebruik als een soort anker, waar ik naar terug kan gaan als mijn leven weer eens een totale chaos lijkt doordat ik me weer helemaal laat opslokken door ‘twee’. Ik kan me dan bewust zijn van dat ik weer kies voor ‘twee’ (de keuze voor ego, dus vormgericht) en kan dan altijd terugkeren naar het idee van EEN, en weer inpluggen op de Hulp (de symbolen daarvoor Jezus en of Heilige Geest, oftewel denkgeest gericht zijn) die de brug vormen en de illusoire kloof tussen twee en EEN kunnen overbruggen en dichten.

ECIW is een 100% praktische cursus. Vandaar dat er ook een Werkboek gedeelte is dat onderwijst hoe terug te herinneren van twee naar EEN, daarbij gebruikmakend van het dagelijkse leven als vergevingsmateriaal. Dat wat als ‘leven’ wordt gezien hier in een wereld hoeft niet te worden vernietigd, het kan worden her-gebruikt en krijgt dus ‘alleen’ een andere functie.

En bedenk dat elke gedachte die gedacht wordt tegelijkertijd bestaat uit 1. ego, het (onmogelijke) idee van de mogelijkheid van ‘twee’. 2. Heilige Geest, de herinnering aan onveranderlijke EEN en 3. het waarnemende/keuzemakende gedeelte dat in staat is om te kiezen tussen te luisteren naar ego of naar Heilige Geest.
Zolang er de ervaring is van in een wereld te zijn in een lichaam zal er altijd de schijn zijn van twee, ook al komt alles nog steeds vanuit EEN en is er ook maar één ego, ook al is die gedachte illusoir. Vandaar dat elke gedachte uit bovengenoemde drie gedeelten lijkt te bestaan binnen één.
ECIW ontmoet ons waar we denken en geloven te zijn en werkt vandaar uit terug naar het herinneren terug in EEN.
ECIW is vooral een training in 100% waarnemende/keuzemakende denkgeest worden. Totdat totaal wordt ingezien en ervaren dat er eigenlijk maar één keuze mogelijk is omdat alleen EEN werkelijk is en twee onwerkelijk, dus onmogelijk. Dan zal het resterende nog ‘ervaren’ in een wereld nog maar één doel dienen; terug herinneren in EEN.

Het ego is ontstaan vanuit het idee van ‘veranderen’.
Het onveranderlijke veranderde schijnbaar in iets wat veranderlijk leek te kunnen zijn.
Iets wat onmogelijk is, want het kenmerk van onveranderlijk is dat het onveranderlijk is.
Veranderlijkheid moet dan wel een onmogelijkheid zijn.
Alleen door het serieus te nemen lijkt het een mogelijkheid te worden.
Onveranderlijkheid is tijd en ruimteloos, veranderlijkheid is juist afhankelijk van tijd en ruimte.
Door veranderlijkheid te verkiezen boven onveranderlijkheid en veranderlijkheid serieus te nemen en onveranderlijkheid te ontkennen en te vergeten ontstond het (nog steeds) onmogelijke, maar als serieus idee schijnbaar in staat tot verwezenlijking.

En dat zien we elke seconde terug in onze eigen denkgeest projecties, pogingen tot verwezenlijking van dat wat we denken en geloven te zijn; een lichaam, in een wereld waarin we van alles ervaren te midden van en met andere lichamen, dingen en situaties.

Het ego is aan de ene kant dol op veranderingen, omdat het het onveranderlijke daarmee ontkend en uit de herinnering houdt, en tegelijkertijd aan de andere kant haat het, is bang voor veranderingen, om dezelfde reden.

Kijk maar naar projecties als de angst voor veranderingen in je leven, en aan de andere kant van de ego medaille, de constante drang om veranderingen in je leven aan te brengen.
Beide zijde hebben gemeen dat ze lichaams en situatie gericht zijn.
Het lijkt te gaan om veranderingen in de vorm. En beide zijde kunnen extreme vormen aannemen.
Omdat veranderlijkheid een van de verdedigingswapens van de egodenkgeest is blijft de (on)werkelijke oorzaak, namelijk de keuze voor veranderlijkheid boven die van onveranderlijkheid op denkgeest niveau verborgen achter de ogenschijnlijke oorzaak die nu in de vorm (de projectie) lijkt te liggen.

De keuze voor veranderlijkheid boven die van onveranderlijkheid gaat ook over de angst voor controleverlies.
De identificatie van de denkgeest met een lichaam, welke een keuze is voor veranderlijkheid, geeft de schijn van individuele zelfcontrole maar is eigenlijk een verdediging tegen het onveranderlijke, welke altijd één is en niet iets lichamelijks en individueels is.

Vanuit dit egodenken lijkt terugkeren in het onveranderlijke dus hetzelfde te zijn als zelfvernietiging. Dit wordt geprojecteerd en ervaren als angst.
De egodenkgeest houdt het liever in eigen hand door zowel zelfvernietiging in eigen hand te houden door zoiets als de dood te bedenken en te projecteren, of juist door kost wat kost zelfvernietiging tegen te gaan of in ieder geval uit te stellen, door het lichaam te beschermen en te verdedigen.

Kenmerk van beide mogelijkheden is weer dat beide 100% lichaamsgericht zijn en dat met maar één doel, het onveranderlijke van de Geest te verbergen en te vergeten.
Lichaamsgericht zijn is en heeft als enig doel de weg naar het terug herinneren denkgeest te zijn volledig te vergeten.
Een aardig dichtgetimmerd denksysteem, maar tegelijkertijd door zijn onmogelijkheid (gelukkig) zo lek als een mandje.

Het is een troost, ook al is dat juist de angst van de egodenkgeest, dat wat de egodenkgeest ook voor angstdromen bedenkt en gelooft om maar uit het onveranderlijke te blijven dit niets werkelijk kan veranderen aan de Onveranderlijk Eenheid van Liefde.

Mijn lichaamsgerichte (= keuze voor egodenken) ‘doen’ focus gericht op een wereld heeft als enig doel af te leiden en te vergeten dat er niets gedaan hoeft te worden aan Waarheid, omdat Waarheid onveranderlijk is.

“Doe eenvoudig dit: wees stil en leg alle gedachten terzijde over wat jij bent en wat God is, alle ideeën die je hebt geleerd ten aanzien van de wereld, alle beelden die je hebt van jezelf. Maak je denkgeest leeg van alles waarvan hij denkt dat het waar of onwaar, goed of slecht is, van iedere gedachte die hij waardevol acht en van alle ideeën waarvoor hij zich schaamt. Houd vast aan niets. Breng geen enkele gedachte met je mee die het verleden je heeft geleerd, en geen enkele overtuiging die je vroeger ooit aan wat ook hebt ontleend. Vergeet deze wereld, vergeet deze cursus, en kom met volkomen lege handen tot jouw God” (WdI.189.7:1-5).

Het gevoel, de gedachte, het idee van het altijd beter te weten dan iemand anders, en dan hemel en aarde te bewegen om dat gelijk te bewijzen, het liefst nog onder het mom van behulpzaam zijn, is terug te voeren tot het mechanisme van de egodenkgeest om dát te projecteren waar het juist bang voor is en het dan om te keren ten gunste van zichzelf.

Er is een Weten wat onveranderlijk is en dat is God IS, Onveranderlijke Eenheid. Binnen dat Weten is geen ‘beter’ of ‘slechter’, ‘gelijk’, of ‘ongelijk’, mogelijk.
Hoewel het onmogelijk is om van Eén iets anders te maken dan Onveranderlijke Eenheid is het toch mogelijk gebleken dat in het proces van uitbreiden van Onveranderlijke Eenheid, Liefde, het idee is opgekomen dat de uitbreiding iets anders kan worden dan de Bron van de uitbreiding.
De uitbreiding van het onveranderlijke zag ineens een afscheidingsmogelijkheid tussen de bron en de uitbreiding daarvan. Dat de uitbreiding niet meer hetzelfde is dan de Bron, en kan veranderen. De uitbreiding gezien als méér dan zijn Bron, dus ánders dan de Bron.

Dat ‘méér’ moest dus dan nu wel het tegenovergestelde uitbreiden dan zijn Bron, want er moest méér zijn, meer, nu in de zin van ‘ánders’. En méér kan alleen méér zijn als het anders is dan zijn Bron, want anders is het gewoon weer méér van hetzelfde en dat is niet echt méér.
Méér werd dus ánders. Er ontstond een situatie van iets anders weten dan wat de Bron Weet. Ondertussen is het nog steeds onmogelijk in werkelijkheid om van Werkelijkheid iets anders te maken dan Werkelijkheid.
En toch leek het mogelijk, ‘ánders’ werd de nieuwe werkelijkheid en ontkende daarmee de Werkelijkheid. De werkelijkheid werd ‘vergeten’, maar verdween niet.
Het ‘ánders’ ging nu voor Werkelijkheid door en om dit te bezegelen maakte de nieuwe werkelijkheid zichzelf wijs: ‘Ik heb gelijk’. En dat ‘nieuwe weten’ moet verdedigd worden, tegen de Werkelijke Werkelijkheid, die nu ondergronds ging maar, nog steeds in het ondergrondse onbewuste aanwezig is. En die verdediging is: ‘ik heb gelijk’. Ik heb gelijk, ik weet het beter, is de mantra van het nieuwe weten en om dit nog meer te versterken wordt het uit geprojecteerd in duizenden vormen en bevinden we ons in een wereld met miljarden geprojecteerde lichamen die allemaal dat idee van ‘ik heb gelijk’, en ‘ik weet het beter’ als wapen gebruiken tegen elkaar. En lijken al die lichamen hun gelijk te willen halen over iets wat zich in de vorm lijkt te bevinden, maar ondertussen is het niets anders dan een afleiding en omkering van wat zich in de denkgeest afspeelt, namelijk dat het onmogelijke mogelijk is, namelijk dat uitbreiding van Eén, twee kan worden, ondanks het onveranderlijke FEIT dat Eén Onveranderlijk Eén is en blijft.

Het onmogelijke gelijk moet nu met hand en tand verdedigd worden, enkel en alleen, omdat als de verdediging losgelaten wordt het Ware Gelijk, dus de gelijkheid van Eén, gewoon weer tevoorschijn komt en blijkt dat er in werkelijkheid niets verdedigd hoeft te worden. Wat betekent dat het onmogelijke gelijk, uit geprojecteerd als de ‘ik’ als lichaam, simpelweg verdwijnt omdat het er nooit is geweest.
Dus gelijk willen hebben is niet gelijk willen hebben om de reden die ik denk. Het is niet het gelijk willen hebben over een bepaalde vorm of situatie, het is het gelijk willen hebben om het gelijk hebben, zodat dat wat werkelijk Gelijk heeft en IS verborgen blijft en er een ‘ik’ lichaam lijkt te zijn dat autonoom is en wel gelijk moet hebben, want anders verdwijnt het *poef* in het Werkelijke Gelijk, waar alleen Eén mogelijk is.

Dat zit er dus achter als we weer eens zeker weten dat we gelijk hebben en de ander het fout heeft.
De remedie?
Het onwerkelijke gelijk vergeven, zodat het door de nog steeds aanwezige herinnering aan het enige Gelijk, wat Gelijk aan Eén is, omgekeerd kan worden, terug-gekeerd dus in Gelijk, in Onveranderlijke Eénheid.

%d bloggers liken dit: