archiveren

Tagarchief: onderwijzen

In Een cursus in wonderen staan 2 fragmenten die mij te binnen schieten als ik alle ellende en ongelooflijk lijden in de wereld ingedikt en uitvergroot weer voorbij zie trekken in het nieuws.
En me er steeds meer van bewust wordt van eveneens het ongelooflijke feit dat al deze ellende en onbeschrijflijk lijden puur en alleen is opgezet om maar afgescheiden te blijven van wat Waar, God, Liefde, Eenheid is.
En door deze keuze voor afscheiding met een soort van goedkeuring bekeken wordt, ook al wordt het ervaren als gruwelijk, maar we blijven kijken of keren ons walgend af, beide nog steeds keuzes voor afscheiding, want zodoende blijft het binnen de zelfgemaakte waarheid, die poogt afgescheiden te raken van wat Waar is, wat vanzelfsprekend onmogelijk is.
En dat deze waarneming bij het grootste deel van de denkgeest alleen nog maar meer angst en woede zal oproepen, omdat het grootste deel van de denkgeest er nog niet aan toe is dit in het bewustzijn toe te laten. En dat het ook geen enkele zin heeft dit te verwachten, te forceren, of te onderwijzen aan diegenen (denkgeest) die er nog niet aan toe zijn.
De delen van de denkgeest die dit wel kunnen en willen toelaten in het bewustzijn zullen dat vanzelf doen, omdat ze eraan toe zijn, en zullen het overal in gaan herkennen, daar zijn geen speciale boeken, cursussen, spiritualiteit, rituelen, goeroes voor nodig.  Het doet er niet toe wat de eraan toe zijnde denkgeest uitspookt, het zal achter elke projectie gezien worden. Niet met de ogen van het lichaam, ook al lijkt dat wel zo, maar met geestelijke ogen.
Ja, deze eraan toe zijnde delen van de denkgeest zien er nog steeds uit als mensen, en ervaren nog als mensen maar zij weten tegelijkertijd ergens dat ze niet die lichamen zijn. Zij weten dat de lichamen projecties zijn van de denkgeest dus zich als het ware in de denkgeest bevinden en niet andersom (denkgeest in een lichaam).
Dit bewust worden van de denkgeest is onvermijdelijk. En des te bewuster de denkgeest wordt des te duidelijker wordt de omvang van het onzinnige, onnodige, gruwelijke lijden welke de denkgeest projecteert ten einde maar in de afscheiding te kunnen blijven geloven.
Gedurende het proces lijkt het lijden dus erger te worden. Dit is niet zo, het was altijd al even erg, maar het lijkt erger omdat de denkgeest zich er meer en meer van bewust wordt waarom dit lijden er lijkt te zijn en hoe waanzinnig die reden is.
De cursus verwoord dit zo:

“Je kunt tijd rekken en je bent tot immens uitstel in staat, maar je kunt niet totaal
afdwalen van je Schepper, die een grens stelt aan je vermogen tot miscreëren.
4Een geketende wil laat een situatie ontstaan die in het uiterste
geval volslagen onverdraaglijk wordt. 5Je mag dan veel pijn kunnen verdragen,
maar daaraan is een grens. 6Uiteindelijk begint iedereen in te zien,
hoe vaag ook, dat er een betere manier moet zijn. 7Wanneer dit inzicht vastere
grond krijgt, wordt het een keerpunt. 8Dit laat geestelijke visie uiteindelijk
opnieuw ontwaken en tegelijk de investering in de fysieke blik afnemen.
9Het afwisselend investeren in de twee waarnemingsniveaus
wordt doorgaans als een conflict ervaren, een dat zeer acuut kan worden.
10Maar de uitkomst is zo zeker als God” (T2.III.3:3-13).

De waanzin kan nog maar één functie hebben, die van ware vergeving.
Ware vergeving welke alleen kijkt zonder oordeel en wéét dat er een andere manier moet zijn.
Er zal eerst verantwoordelijkheid moeten worden genomen voor wat er in de denkgeest gebeurt, voor de keuzes die daar genomen worden. Zolang daar nog voor projecteren vanuit het geloof in zonde, schuld en angst wordt gekozen, zal er niets veranderen. Pas als ik verantwoording neem voor mijn eigen keuzes en tot de conclusie kom dit niet meer te willen en eerst voor het wonder van vergeving kies waardoor ik het enige probleem, mijn keuze voor afscheiding onschadelijk maak, kan er werkelijk iets veranderen. En zal ik vervolgens vanzelf vanuit een intuïtief weten, zonder oordeel, aarzeling of verwachting in alle vertrouwen weten wat mij wel of niet te doen staat.

En dan stelt ECIW ons op zijn zo kenmerkende poëtische manier de vraag:

“Hoelang, o Zoon van God, wil je nog doorgaan met het spel van de
zonde? 2Zullen we dit scherpgekante kinderspeelgoed niet eens afdanken?
3Hoe snel ben je bereid naar huis te komen? 4Vandaag misschien? 5Er
is geen zonde. 6De schepping is onveranderd. 7Wil jij je terugkeer naar de
Hemel nog steeds tegenhouden? 8Hoelang nog, o heilige Zoon van God,
hoelang?” (WdII.4.5:1-8).

 

“Jij die hebt getracht te leren wat je niet wilt, vat moed, want ook al is het
leerplan dat jij zelf hebt opgesteld zonder meer deprimerend, het is als je
ernaar kijkt alleen maar belachelijk. Kan het zijn dat de manier om een
doel te verwezenlijken erin bestaat het niet te bereiken? Neem nu ontslag
als je eigen leraar. Dit ontslag zal niet tot depressiviteit leiden. Het is
enkel het gevolg van een eerlijke evaluatie van wat jij jezelf hebt onderwezen,
en van de leerresultaten die daaruit voortgekomen zijn. Onder de
juiste leeromstandigheden, die jij noch verschaffen noch begrijpen kunt,
zul je een uitstekende leerling en een uitstekende leraar zijn. Maar zover
is het nog niet, en zover zal het pas komen wanneer de hele leersituatie
zoals jij die hebt opgezet, wordt omgekeerd” (T12.V.8:1-7).

Dat is het: “Neem nu ontslag als je eigen leraar”.
Een waar Eureka moment. Plots dringt pas echt weer door wat dat betekent, nadat één van mijn zelfbedachte rollen weer eens onhoudbaar werd.
De “ik” die ik denk en geloof te zijn hier in een wereld in een lichaam is een (ego) leermiddel dat door mij als (ego) “leraar” wordt gebruikt om mijzelf te onderwijzen dat ik een lichaam ben in een wereld. Ook alle rollen die de “ik” in dat lichaam denk te spelen zijn mijn eigen (ego) leer en onderwijs materiaal.
En wat leren en onderwijzen mij die rollen die ik speel op het toneel welke ik, de acteur en auteur, mijn leven noem? Ze leren mij dat zonde, schuld en angst waarheid zijn en dat geboorte, pijn, lijden, angst, woede, aanval, verdediging, ziekte, tijdelijke blijheid, tijdelijk geluk en de dood mijn natuurlijke staat zijn.

De “ik” die ik denk en geloof te zijn in een lichaam in een wereld, bestaat bij de gratie van het geloof in dat ik mijn rollen ben. Ik geloof dat ik een mens ben, vrouw ben, getrouwd ben, een moeder ben, een zus, een dochter, een schoonzus, een tante, een vriendin, een vijand, een kennis, een buurvrouw, een inwoner van Soest, een Nederlander, een aardbewoner enz.
Allemaal rollen die ik met een afwisseling van plezier en tegenzin speel.

Zolang er deze identificatie is met deze rollen in dit lichaam in deze wereld, zal het dat zijn wat ik leer en onderwijs.
Dat is nu echt eens en voor altijd duidelijk.
Dat het nu echt duidelijk is, is te danken aan een plotselinge kanteling van het leer en onderwijs proces:

“Onder de juiste leeromstandigheden, die jij noch verschaffen noch begrijpen kunt,
zul je een uitstekende leerling en een uitstekende leraar zijn. Maar zover
is het nog niet, en zover zal het pas komen wanneer de hele leersituatie
zoals jij die hebt opgezet, wordt omgekeerd” (T12.V.8:6-7).

Dat wat eerst een onhoudbare situatie leek te zijn, waarbij de pijn en het lijden tot uitzichtloze, onhoudbare hoogte opliep, sloeg plotseling om in werkelijk behulpzaam leer en onderwijs materiaal. En werd het besluit genomen nu echt ontslag te nemen als mijn eigen leraar.
Want als alles wat ik als gelovend een lichaam te zijn in lijden eindigt afgewisseld met kortstondige geluksmomentjes, en dit zo langzamerhand nu echt onhoudbaar wordt, moet ik me wel vergissen in wat ik mezelf heb aangeleerd en onderwezen over wat ik ben.
Ik neem ontslag van al mijn rollen, ik schrijf mijzelf uit, uit het ego’s casting bureau. Ik verklaar mijn ego’s casting bureau failliet.
Er is nu vrijheid en ruimte om te leren en te onderwijzen wat Werkelijk is, waarbij mijn voorheen ego rollen, zolang ik nog denk en geloof te ervaren, een andere functie krijgen, maar nu onder leiding van HG/J, welke de symbolen zijn voor de brug naar het terug herinneren in Waarheid.
Dat betekent in de praktijk, dat ik alles wat ik dacht dat bij de rollen die ik speelde hoorde, dus wat hoorde bij: vrouw zijn, echtgenoot zijn, dochter zijn, vriendin enz. enz eindigend in dood zijn, vergeef en overdraag (ver-geef) aan deze herinnering aan wat “ik” werkelijk ben, zonder dat zelf in te vullen, en zonder er mijn eigen oude verwachtingen op te projecteren.

“Doe eenvoudig dit: wees stil en leg alle gedachten terzijde over wat jij
bent en wat God is, alle ideeën die je hebt geleerd ten aanzien van de wereld,
alle beelden die je hebt van jezelf. Maak je denkgeest leeg van alles
waarvan hij denkt dat het waar of onwaar, goed of slecht is, van iedere gedachte
die hij waardevol acht en van alle ideeën waarvoor hij zich
schaamt. Houd vast aan niets. Breng geen enkele gedachte met je mee die
het verleden je heeft geleerd, en geen enkele overtuiging die je vroeger
ooit aan wat ook hebt ontleend. Vergeet deze wereld, vergeet deze cursus,
en kom met volkomen lege handen tot jouw God”(WdI.189.7:1-5)

“De Hemel zelf wordt bereikt met lege handen en een open denkgeest, die
met niets komt om alles te vinden en er als het zijne aanspraak op te
maken” (WdI.133.13:1).

En zoals zo vaak komt bij het opschrijven van deze gedachten een liedje naar boven drijven en wel van Ramses Shaffy:

De wereld heeft mij failliet verklaard

Waarom heb ik ergens een aversie tegen, waar komt dat vandaan?
Waar komen die gevoelens, die emoties vandaan, wat is de functie ervan?

Het zijn gevoelens van afscheiding, afkomstig van de egodenkgeest kant van de denkgeest, die zich manifesteren als gevoelens, emoties, die dan een naam moeten krijgen, zodat ze een bestaansreden krijgen , een verklaring, een doel, zodat de bron namelijk de wil tot afscheiden van Waarheid, van Eenheid, van Liefde, van God, die (de wil tot afscheiden) zich aan de egodenkgeest kant van de denkgeest bevindt, afgedekt en verborgen blijft.
Zodra we als er iets diep geraakt wordt, als de essentie van wat wij werkelijk zijn geraakt wordt, dan wordt dat door het egomechanisme ‘angst’ die als verdediging dient tegen Waarheid, onmiddellijk geprojecteerd, naar buiten.
Nu wordt de oorzaak gelegd buiten de denkgeest in een vorm, die een naam krijgt en daardoor ‘bestaansrecht’.
En dat doet me denken aan deze bekende tekst in de Cursus:

‘Laten we echter niet vergeten: woorden zijn slechts symbolen van symbolen. Ze zijn daarom dubbel van de werkelijkheid verwijderd’ (H21.1:9-10).

Er is nu iets of iemand buiten mij met een naam of omschrijving, inclusief een ‘ik’ die zichzelf nu ook als lichaam ziet met een naam, die de oorzaak en het gevolg zijn van de aversie of welke gewaarwording dan ook.

ECIW zegt dit heel mooi in les 184.
Ik zal een klein stukje hier plakken, maar het is de moeite waard deze les even helemaal erbij te pakken en te lezen:

‘Je leeft aan de hand van symbolen. Je hebt namen bedacht voor alles wat jij ziet. Elk ding wordt een afzonderlijke entiteit, die jij identificeert met behulp van zijn eigen naam. Daarmee houw je het uit de eenheid los.
Daarmee markeer je zijn bijzondere kenmerken en zonder je het van andere
dingen af door de ruimte eromheen te benadrukken. Deze ruimte zet jij tussen alle dingen die je elk van een andere naam voorziet, alle gebeurtenissen die je uitdrukt in termen van plaats en tijd, alle lichamen die je met een naam begroet.
Deze ruimte die je ziet als iets dat alle dingen uit elkaar houdt, is de manier waarop de waarneming van de wereld wordt verkregen. Je ziet iets waar niets is, en ziet tegelijk niets waar eenheid is: een ruimte tussen alle dingen, tussen alle dingen en jou. Zo denk je dat je in afscheiding leven hebt geschonken. Door deze splitsing denk je dat daarmee vaststaat dat jij een eenheid bent die functioneert met een onafhankelijke wil.
Wat zijn toch deze namen waardoor de wereld een reeks wordt van onsamenhangende gebeurtenissen, van onverenigde dingen, van lichamen
die apart worden gehouden en die elk een stukje denkgeest als een afzonderlijk bewustzijn bevatten? Jij hebt ze deze namen gegeven en bracht waarneming tot stand zoals jij wenste dat waarneming was. Het naamloze werd naam gegeven en zo werd er ook werkelijkheid aan verleend. Want wat benoemd wordt krijgt betekenis en zal vervolgens als betekenisvol worden gezien: een oorzaak van een werkelijk gevolg, met consequenties die daar inherent aan zijn’ (WdI.184.1,2,3) ev.

Maar natuurlijk gooit de Cursus nooit het kind weg met het badwater.
Iets wat de egodenkgeest kant van de denkgeest wel meteen wil doen, wederom als verdediging tegen Waarheid.
De Cursus ontmoet ons waar wij denken te zijn, en die wij begrijpen, in een wereld van mensen, dingen, en situaties die allemaal een naam hebben en daardoor een autonome betekenis hebben gekregen zo geloven wij.
ECIW laat ons zien, als we dat willen zien, want het gedachtegoed van ECIW vertegenwoordigt onze Juist-gerichte kant (HG) van de denkgeest, dat we hetzelfde afscheidingsmateriaal, kunnen laten her-gebruiken en ons weer kan helpen terugherinneren in Waarheid.

‘Het zou inderdaad vreemd zijn als je gevraagd werd aan alle symbolen van de wereld voorbij te gaan en ze voor altijd te vergeten, en jou toch werd gevraagd een onderwijzende functie op je te nemen. Het is voor jou nodig de symbolen van de wereld een tijdje te gebruiken. Maar laat je er niet tevens door misleiden. Ze staan helemaal nergens voor, en tijdens je oefeningen is het deze gedachte die jou ervan zal bevrijden. Ze worden slechts middelen waardoor je kunt communiceren op een manier die de wereld begrijpen kan, maar waarvan jij inziet dat het niet de eenheid is
waar ware communicatie kan worden gevonden’ (WdI.184.9:1-5).

En ik laat me niet misleiden door het woord ‘onderwijzen’, dat is niet een speciale functie, zoals de egokant van de denkgeest geloofd. Het is dat wat altijd gebeurt, onderwijzen en leren zijn EEN, geven en ontvangen zijn EEN zowel in de egokant als in de HG kant van de denkgeest, omdat er alleen maar EEN is en alles zich afspeelt in EEN, of het er nu afgescheiden uitziet en zo ervaren wordt of niet.

Ik benoem dus mijn aversie die ik voel tegen iemand, ik kijk dus eerst hoe ik dit als afscheiding heb vormgegeven in woorden, en er betekenis aan heb gegeven, en vraag mezelf dan af of ik dit anders wil zien, of ik wil onderzoeken of ik het misschien mis heb, of ik me misschien vergis.
Ik bevind me dan al op mijn waarnemende, keuzemakende denkgeest positie en kan dan besluiten me tot mijn HG kant van de denkgeest te wenden en het te vergeven zodat ik het anders kan gaan zien.
Het eventueel anders zien wat na ware vergeving volgt zal automatisch volgen, ik hoef daar niets aan te doen, want dat is het werk van de HG kant van de denkgeest.
Als ik echter nog steeds de drang voel van ik moet iets doen, ik moet iets veranderen aan mijzelf of een ander, dan weet ik alleen maar dat ik me weer tot de egokant van de denkgeest heb gewend voor hulp.
Het antwoord hierop is ‘kies opnieuw’, meer niet.

Een ‘doen’ in de wereld is en blijft een projectie, een projectie vanuit angst (keuze voor ego) of een uitbreiding van Liefde (keuze voor HG).

En de aversie, is die dan nu opgelost?
Jazeker, ik herinner me weer heel goed dat ik nooit onvrede voel om de rede die ik denk (les 5) en ervoor in de plaats vrede kan zien (les 34).
En ik vergeef.

 

 

‘Er is geen wereld!
Dit is de kerngedachte die de cursus probeert te onderwijzen. Niet ieder is bereid dit te aanvaarden en ieder moet zo ver gaan als hij zich kan laten leiden langs de weg die hem naar de waarheid voert.
Hij zal terugkeren en weer verder gaan, of misschien een tijdje ervoor terugwijken en terugkeren eens weer.
Maar genezing is het geschenk van hen die bereid zijn te leren dat er geen wereld is en die les nu kunnen aanvaarden. Hun bereidheid zal hun de les aanreiken in een vorm die zij kunnen begrijpen en herkennen.
Sommigen zien die plotseling in hun stervensuur en staan op om haar te onderwijzen. Anderen vinden haar in een ervaring die niet van deze wereld is, en die hun laat zien dat de wereld niet bestaat, want wat zij aanschouwen moet wel de waarheid zijn, en toch weerspreekt dat duidelijk deze wereld. En sommigen zullen haar in deze cursus vinden en in de oefeningen die we doen vandaag. Het idee van vandaag is waar omdat de wereld niet bestaat. En als ze inderdaad het product van je eigen verbeelding is, dan kun jij haar bevrijden van alle dingen die je haar ooit hebt toegedacht, louter door al de gedachten te veranderen die haar die uiterlijke verschijningsvormen hebben verleend.’ (WdI.132.6:2-8:3)

 

‘There is no world!

This is the central thought the course attempts to teach. Not everyone is ready to accept it, and each one must go as far as he can let himself be led along the road to truth. He will return and go still farther, or perhaps step back a while and then return again.

But healing is the gift of those who are prepared to learn there is no world, and can accept the lesson now. Their readiness will bring the lesson to them in some form which they can understand and recognize.

Some see it suddenly on point of death, and rise to teach it. Others find it in experience that is not of this world, which shows them that the world does not exist because what they behold must be the truth, and yet it clearly contradicts the world. And some will find it in this course, and in the exercises that we do today. Today’s idea is true because the world does not exist. And if it is indeed your own imagining, then you can loose it from all things you ever thought it was by merely changing all the thoughts that gave it these appearances.

(WpI.132.6:2-8:3)’

 

Alleen de Heilige Geest kan zien dat wat het ego (ego-denkgeest) ziet en denkt dat het waar is, een droom is, en daarom niet de Waarheid.

 

Dat zien is het werk van de Heilige Geest. En de Heilige Geest is niets anders dan de vertegenwoordiging van wat er werkelijk is: Geest. Het is niet iets ergens buiten, het is wat we (geest) in werkelijkheid zijn.

 

De herinnering aan de Heilige Geest, dat wat we zijn, is aanwezig in alles wat wij denken te zien.

 

Er is geen wereld, er is een droom over een wereld, een universum. De dromer van die droom, is nog altijd geest en niet zijn droom- projecties. De droom- projecties waar maken is het werk van de ego-denkgeest dat gedeelte van de Geest dat droomt van afscheiding, en droomt dat dat de waarheid is.

Maar net als in de slaapdroom, is er niets verandert aan de werkelijkheid. Als de afgescheiden droom- denkgeest ontwaakt bevind deze zich nog steeds veilig rustend in God, in Geest, onveranderlijk héél.

 

Een beroep doen op de Heilige Geest, zodra ik waarneem dat ik de afgescheiden droom-gedachtes als waar zie, is niets anders dan afstemmen op wat werkelijk is: Geest, en het idee van de afgescheiden aparte, ego-denkgeest loslaten en Vergeven, geven aan de Heilige Geest, de brug naar Geest, naar de Werkelijkheid, naar God..

 

Ondertussen speelt de film, de droom van afscheiding, gewoon zijn verhaal van afscheiding af, in eindeloze avonturen van angst/speciale liefdes/heldendom/slachtofferschap/ mooie plaatjes/lelijke plaatjes, zich afspelend in een decor van planeten, natuur,… enz. enz. een spannende film, maar een film, een projectie vanuit de denkgeest, meer is het niet.

 

Niets van dat alles is Waar. De Waarheid  die nooit is weggeweest wordt slechts versluierd door deze droomflarden, die mits gezien voor wat ze zijn: ‘niets’ , in ‘niets’ oplossen…

 

Iedere keer dat ik vergeef, mijn misverstand geef aan de Heilige Geest, want dat is het werk van de Heilige Geest (de herinnering dus van wat werkelijk is) lost er weer een stukje van de (droom) film op.

 

 

 

 

 

 

 

 

In Een cursus in wonderen zelf staat nergens iets over het moeten volgen van workshops, lezingen of je aansluiten bij groepen. En toch noemt de Cursus zichzelf een cursus en is ook zo opgebouwd. En worden er overal workshops, lezingen enz. gegeven door zgn. leraren…

Wat bedoelt ECIW dan met onderwijzen?:

 

‘Onderwijzen is demonstreren.

Er zijn maar twee denksystemen, en jij demonstreert voortdurend je overtuiging dat óf het ene óf het andere waar is.

 

Van wat jij demonstreert leren anderen, en ook jij.  De kwestie is niet óf je wilt onderwijzen, want daarin is geen keus.  Je zou kunnen zeggen dat de cursus beoogt je een middel te verschaffen om te kiezen wat je wilt onderwijzen op grond van wat je wilt leren.

 

Je kunt niet aan iemand anders geven, maar uitsluitend aan jezelf en dat leer je door te onderwijzen. Onderwijzen is slechts het oproepen van getuigen om te getuigen van wat jij gelooft. Het is een methode van bekering.

 

Dat gebeurt niet alleen met woorden. Of je wilt of niet, elke situatie is voor jou een gelegenheid anderen te onderwijzen wat jij bent en wat zij voor jou zijn.

Niets meer dan dat, maar ook nooit minder. Het leerplan dat je opstelt wordt dan ook uitsluitend bepaald door wat jij denkt dat jij bent en door wat jij meent dat de relatie met anderen voor jou is. In de officiële onderwijssituatie houden deze kwesties misschien

totaal geen verband met wat je denkt te onderwijzen.

 

Toch is het onmogelijk de inhoud van welke situatie dan ook niet te gebruiken ten behoeve

van wat je werkelijk onderwijst en dus werkelijk leert. In dit verband doet de woordelijke inhoud van wat je onderwijst geheel niet ter zake.

Het kan ermee samenvallen, of niet.

 

Het is het onderwijs dat achter je woorden ligt dat jou onderwijst.

Wat je onderwijst versterkt slechts wat je over jezelf gelooft.

Het primaire doel ervan is twijfel aan jezelf te verminderen.

 

Dit betekent niet dat het zelf dat jij probeert te beschermen werkelijk is.

Maar het betekent wel dat het zelf dat jij als werkelijk beschouwt, hetgeen is wat je onderwijst.’ (H.Inl.1-2)

 

Dus onderwijzen doen we allemaal of we nu willen of niet.

 

‘Leraar en leerling zijn in het leerproces gelijk.

Zij zitten in dezelfde leercategorie, en als ze hun lessen niet delen, zal het hun aan

overtuiging ontbreken.’ (T4.I.1:2-3)

 

Wat is nu de ideale leraar/leerling (of therapeut/patiënt) relatie, dit wordt prachtig verwoord in ‘Aanvullingen op Een cursus in wonderen, Psychotherapie Doel, proces en praktijk.:

 

‘VII. De ideale patiënt-therapeutrelatie

Wie is nu de therapeut, en wie de patiënt? Uiteindelijk is iedereen beide. Hij die genezing behoeft, dient anderen te genezen. Geneesheer, genees uzelf. Wie anders valt er te genezen? En wie anders heeft genezing nodig? Elke patiënt die bij een therapeut komt biedt hem de gelegenheid zichzelf te genezen. Bijgevolg is hij diens therapeut. En elke therapeut dient van elke patiënt die naar hem toe komt te leren genezen. Hij wordt dus zijn patiënt. God heeft geen weet van afscheiding. Het enige wat hij weet is dat Hij één Zoon heeft. Zijn kennis wordt weerspiegeld in de ideale patiënt-therapeutrelatie. God komt tot hem die roept, en in Hem herkent hij Zichzelf.’ (P.2.VII.1:1-14)

 

En dat het ook hier wederom om vergeving gaat:

 

‘Het proces dat in deze relatie plaatsvindt is er feitelijk een waarin de therapeut in zijn hart de patiënt vertelt dat al diens zonden hem vergeven zijn, samen met de zijne. Wat kan het verschil zijn tussen genezing, en vergeving?’ (P.2.VII.3:1-2)

 

 

Enkel Liefde onderwijzen is niet de uitbreiding van het soort liefde wat iets met persoonlijkheid te maken heeft. Het gaat hier om de Liefde van God, dat wat we werkelijk zijn. En het onderwijzen daarvan gaat niet vanuit het zien van schaarste wat dan vervolgens moet worden aangevuld, maar vanuit de overvloed van wat Liefde is. En dat hoeft niet onderwezen te worden zoals in de Inleiding van ECIW staat:

‘De cursus beoogt niet de betekenis van liefde te onderwijzen, want dat gaat wat onderwezen kan worden te boven.’ (T.Inl.1:6)

Onderwijzen doen we dus allemaal en voortdurend bewust of onbewust. En wie of wat onderwijzen we dan?… onszelf. Alles is immers één. Er is ook maar één ego (ook al lijken dat er miljoenen te zijn), en één Heilige Geest en slechts één van beide vertegenwoordigd de waarheid.

Dit soort Liefde, de Liefde van God in ons allen aanwezig als grondtoon, breidt zich vanzelf uit als we de weerstand ertegen loslaten. Daar hoeven we dus niets aan te doen. En dat is tevens ook de betekenis van ‘Ik hoef niets te doen’:

 

‘Eén ogenblik samen met je broeder doorgebracht geeft jullie beiden het universum terug. Je bent voorbereid. Nu hoef jij je slechts te herinneren dat je niets hoeft te doen. Je zou er veel meer baat bij hebben je nu alleen hierop te concentreren dan erover te peinzen wat je moet doen. Wanneer ten langen leste vrede komt voor hen die worstelen met verleiding en vechten tegen het toegeven aan zonde; wanneer het licht uiteindelijk komt in de denkgeest die zich aan contemplatie heeft overgegeven; of wanneer het doel tenslotte door wie ook wordt bereikt, dan gaat dit steeds met maar één gelukkig inzicht gepaard: ‘Ik hoef niets te doen.’’ (T18.VII.5:3)

Zodra de behoefte aan liefde opspeelt, en dat gebeurt voortdurend, we zijn altijd opzoek naar liefde, in talloze vormen, komt de onbedwingbare drang naar boven actie te ondernemen. Het geloof in een individu te zijn in plaats van louter Geest houd ons gevangen in de mallemolen van het ego. En het ego ook afkomstig uit de denkgeest breidt uit wat het denkt en dat is schaarste en willen hebben een vorm van angst, een van de twee emoties die we tot onze beschikking hebben:

‘Ik heb gezegd dat je slechts twee emoties hebt: liefde en angst.’ (T13.V:1)

Een van de twee breiden we voortdurend uit… in onszelf, in geest, want er zijn geen anderen, ook al lijkt dat zo te zijn. Er is maar één denkgeest en die breidt of angst of liefde uit, afhankelijk van de soort leiding die we wensen te volgen. Volgen we de leiding van het ego dan breiden we angst uit, volgen we de leiding van de Heilige Geest dan breiden we liefde uit. En dit laatste ervaren we als wonderen, omdat het een totale omslag in de denkgeest teweeg brengt:

‘Wonderen lijken voor het ego onnatuurlijk, omdat het niet begrijpt hoe gescheiden denkgeesten elkaar kunnen beïnvloeden. Dat kunnen ze ook niet. Maar denkgeesten kunnen niet gescheiden zijn. Dit andere zelf is zich daarvan volmaakt bewust. En dus ziet het in dat wonderen niet iemand anders’ denkgeest beïnvloeden, maar alleen die van hemzelf. Ze veranderen altijd jouw denkgeest. Er is geen andere.’ (T21.5.3:6-12).

 

Wat ik nu zit te doen, deze woorden opschrijven, komt voort uit de schijnbare drang dit aan een buitenwereld mede te delen, maar in wezen is het gericht aan mijzelf, aan de éne denkgeest.

De schijnbaar afzonderlijke persoon die ik denk te zijn bestaat niet net zomin als alle andere figuren. Het zijn projecties uit de denkgeest, een denkgeest die ‘denkt’ afgescheiden te kunnen zijn van Geest, van God, van Liefde. Zodra er daar het ‘nietig dwaas idee’ was begon de gedachte van afscheiding, begon het lineaire denken en begon het projecteren. Maar dat alles maakt het net zomin ‘echt’ als een film die geprojecteerd wordt. En wij zien in onze projecties onze eigen angst of liefde terug een van de twee emoties.

Onderwijs enkel Liefde is een keuze, geen toeval. Wij kunnen kiezen door ‘ogen’ van angst (ego) of door ‘ogen’ van Liefde (Heilige Geest/Jezus) te kijken. Door onze projecties aan HG/Jte geven en te vergeven zullen ze een heel andere functie krijgen en niets ander uit kunnen breiden dan Liefde. Zodra ik mijn projecties loslaat, er geen geloof meer aan hecht, zullen de projecties gewoon verdwijnen. Ik heb ze immers gedacht, dus ik kan ze ook loslaten. Zodra ik besef dat ik door het vasthouden aan mijn projecties ook zelf de pijn instand houd, komt er ruimte voor een ander soort gedachte, ruimte voor een wonder, ruimte voor een totale omslag in de denkgeest.

 

Dus degene die ik haat is niets anders dan mijn eigen haat gedachte naar buiten geprojecteerd als ‘een iemand anders’, zodat het lijkt alsof ik het kwijt ben. Maar niets is minder waar. Het is enkel opgeborgen en diep begraven zodat het vergeten wordt. Een gedachte in een fles, die nooit meer mag ontsnappen. Maar een gedachte kan niet worden opgesloten, een gedachte is altijd vrij. En zodra ik me herinner dat ik een gedachte ben, ben ik vrij. Geen lichaam kan een gedachte opsluiten, geen enkele gedachte kan waar dan ook in opgesloten worden. Ik denk nu even aan voorbeelden zoals Nelson Mandela die hier een levend bewijs van is. Alleen een angstige gedachte kan denken dat een gevangen gedachte mogelijk is en vervolgens denken dat het waar is en die gedachte uitbreiden. Maar hoe ik het ook wendt of keer, een gedachte is een gedachte en blijft een gedachte en een projectie blijft een projectie. Daaruit volgt dat de projectie zich niet kan uitbreiden, maar de gedachte wel. En er zijn maar twee gedachtes mogelijk, gedachtes vanuit angst of gedachtes vanuit liefde.

Onderwijs enkel Liefde is de boodschap die J ons geeft. Ook hij heeft laten zien dat ook een kruisiging de geest op geen enkele manier kan beïnvloeden.

 

Zoals de Cursus stelt in de Inleiding:

‘Niets werkelijks kan bedreigd worden.

Niets onwerkelijks bestaat.

Hierin ligt de vrede van God.’

(T.Inl.2:2-4)

 

 

 

 

%d bloggers liken dit: