archiveren

Tagarchief: nachtmerrie

Als er maar Eén (non-dualiteit) is en geen twee (dualiteit), dan houdt dat automatisch in dat ‘ik’ en ‘jij’ één zijn, ook al lijkt er de ervaring van een ‘ik’ en een ‘jij’ te zijn.
De functie van het toch ervaren van ‘ik’ en ‘jij’, dus twee, moet dan wel afscheiding zijn.
De wil om afgescheiden te zijn van ‘Een’ ís de functie van denken, geloven en ervaren in een wereld, als lichaam te midden van andere lichamen, dieren, dingen en situaties.
Dus dit maakt ook duidelijk waarom ik een ander, of iets anders nodig heb om de schijn van afscheiding ogenschijnlijk waar te maken.
Zolang ik een ander of iets anders als anders los van mij zie en ervaar is dat de projectie van de wens afgescheiden te willen zijn. Ook de ik als lichaam zien en ervaren is de keuze/projectie voor afscheiding.

Alles wat ik als interactie ervaar met iemand, iets, of mijzelf in de vorm is een projectie van afscheiding. En aangezien afscheiding het tegengestelde, de ontkenning van Eenheid is kan het niets anders projecteren dan vormen van vernietiging. Het is immers een poging tot het vernietigen van Eenheid.
Elke relatie met wie of wat dan ook heeft als doel afscheiding = vernietiging.
In de vorm kunnen deze pogingen tot afscheiding, tot vernietiging, eruit zien als heel duidelijke vormen van vernietiging: alle vormen van haat, woede, agressie, boosheid, irritatie, jaloezie enz. Ze kunnen er echter ook uitzien en ervaren worden als schijnbare vormen van liefde: liefde tussen twee mensen, vriendschap, familie relaties, opofferen voor een ander, mezelf wegcijferen, ongevraagde hulp geven enz.
Zolang er een ‘ik’ lichaam en een ‘jij’ lichaam wordt gezien waar iets mee moet of niet moet is het niets anders dan de uiterlijke weergave van de wens afgescheiden te willen zijn.

Vanzelfsprekend moet dit vreemde denksysteem onbewust worden gehouden, want zodra dit wordt gezien in het uiteindelijk onvermijdelijke ontwakende bewustzijn, begint het geloof erin te wankelen en zullen er vragen opkomen zoals… “waarom???!!!”.
Deze “waarom vraag” heeft nog steeds een stuk onbewuste wil tot afscheiding in zich, want totaal bewustzijn zal deze vraag niet meer hoeven te stellen, omdat het weet hoe het zit en dat wat achter bewustzijn ligt, het volledige terug herinneren in Eenheid, hoeft deze vraag al helemaal niet meer te stellen. De “waarom vraag” is alleen maar mogelijk binnen het idee van afscheiding gesteld door dat wat nog gelooft in afscheiding, tijd en ruimte.
“Waarom” heeft immers een antwoord nodig. “Waarom” en “antwoord” is een opgesplitst “weten” en dit maakt een vraag tot een vermomde wens tot afscheiding.
Wederom dit is niet fout of slecht, maar slechts een neutrale observatie. En de observatie kan vervolgens gebruikt worden om de oude gewoonte van die van afscheiding = vernietiging te blijven volgen, of het een andere functie geven die van terug herinneren in Eenheid.
Verzucht ik na het beseffen van dit alles: “oh, wat vreselijk, ik moet iets doen, ik moet veranderen” of “ik maak er een eind aan”, dan is dit nog steeds een keuze voor afscheiding = vernietiging en ervaar ik angst in al z’n variaties.

Het wordt nu ook duidelijk dat al mijn relaties, menselijke, dierlijke, maar ook met ‘dingen’ noodzakelijke ingrediënten zijn om mij afgescheiden te voelen, maar ook noodzakelijk zijn om deze onbewuste wens tot afscheiding = vernietiging te laten genezen.

In die zin heb ik de ‘ander’ altijd nodig, of het beeld van mijzelf nodig, hoe dan ook, binnen één gaat het altijd over één, binnen de ervaring over ‘mijzelf’.
Ook als ik de neiging heb om mijzelf af te zonderen van de wereld, heb ik nog het idee van een wereld nodig om het idee van afzonderen mogelijk te maken.
Zou ik werkelijk beseffen dat er altijd maar ‘Een’ mogelijk is, dan valt de noodzaak van een ander of iets anders buiten mij vanzelf weg. Wat onveranderlijk Één is heeft natuurlijk geen enkele behoefte om twee te zijn.

Als ik zo mijn medemens en mijzelf zie, als in werkelijkheid Éen, als Éen Geest dan zie ik ook dat we altijd één gemeenschappelijk doel hebben.
Aan de ene kant de wens tot afscheiding waarbij de ene Geest zich afsplits in een dualistische denkgeest, die dit dualistische idee projecteert zodat de achterliggende wens van de denkgeest tot afscheiding verborgen blijft achter lichamen, dingen en situaties en aan de andere kant is er het gemeenschappelijke Weten altijd onveranderlijk Éen te zijn.

Kortom de Ene onveranderlijke Geest kan zichzelf afsplitsen in wilde dromen van afscheiding, maar dat verandert niets aan zijn ware aard, welke altijd onveranderlijk Éen is.
Het is en blijft slechts een droom/nachtmerrie.
Om uit die nachtmerrie te ontwaken is echter datzelfde onbewuste nachtmerrie materiaal nodig, maar nu in omgekeerde bewuste richting en zullen de eerst met als doel dromen van afscheiding nu de functie krijgen van terug herinneren uit de droom terug in Eenheid.

De symbolen van afscheiding, de ‘ik’ en de ‘jij’ hebben elkaar nodig voor dit gezamenlijke doel, zowel voor het afscheidings doel als voor het terug herinneren in Eenheids Doel.
We zitten zogezegd altijd in hetzelfde schuitje, in het ego schuitje of in het Heilige Geest/Jezus Schuitje en strijden dezelfde strijd.
Wat kies ik, de steeds sterker bewust wordende denkgeest, verkies ik ‘jou’ als afgescheiden te zien, of als de herinnering aan terug herinneren in Éenheid?
Dat is de enige ware vraag die keer op keer bij elke ontmoeting, bij elke gebeurtenis gesteld kan worden, dat is de ware functie van elke relatie.

 

Met Jesus op zee

Rembrandt, ‘Storm op het meer van Galilea’

…life is but a dream…

Het leven is een droom, wat betekent dat…
Laten we eerst kijken naar wat we onze slaapdroom noemen, dat is een begrip wat we kennen en ook min of meer snappen.
We denken en geloven dat we een lichaam zijn en dat lichaam kan als het gaat slapen dromen.
Als we dan ’s ochtend wakker worden, dan weten we soms nog heel goed wat we gedroomd hebben, of we zijn het vergeten. We beweren echter nooit dat de droom ‘echt’ gebeurd is, ook al leek deze heel echt, het was maar een droom, en we accepteren hooguit dat de droom een symbolische betekenis heeft, of bedoeld is als manier voor de hersenen om alle impulsen van de dag te verwerken.
En als het een nachtmerrie was halen we opgelucht adem dat we gelukkig weer wakker geworden zijn uit die nachtmerrie en hopen dat die nachtmerrie niet weer terug zal komen.
En we beweren soms ook dat ook al zijn we een droom vergeten, we altijd dromen.
We kunnen ook leren, wordt beweerd, controle over onze slaapdromen te krijgen. Daar zijn zelfs cursussen voor.  En we kunnen dromen gebruiken als toekomstvoorspellers, de zogenaamde voorspellende dromen.
Kortom we denken alles te weten over dromen en maken duidelijk onderscheid tussen de dromer van de droom, het lichaam en de droom. En we noemen de dromer van de droom, het lichaam ‘echt’ en de droom… een droom, een illusie. En daarmee is het verhaal klaar zo denken we…

Maar stel dat bovenstaand verhaal alleen maar als functie heeft te verbergen wat er achter dat verhaal  verborgen wordt gehouden?
Als dat idee plotseling naar boven komt, ben ik dan paranoia, of heb ik last van complot gedachten?
(erg ‘in’ tegenwoordig).
Of raak ik aan een belangrijke herinnering, een ‘vergeten’ dat zich langzaam een weg baant omhoog in het bewustzijn?

Misschien staat bovenstaand verhaal wel symbool voor iets heel anders, iets wat we vergeten zijn, iets wat we willen vergeten, waardoor de symboliek als ‘waar’ wordt gezien. Stel dat de wereld die we als ‘echt’ beschouwen ook een droom is, een nachtmerrie vaak, en symbool staat voor iets anders?
Het feit dat ik dit kan denken staat al symbool voor dat het wel eens zo zou kunnen zijn, want als het een onmogelijk idee zou zijn, dan zou het niet in me op kunnen komen, of het zou niet in me op kunnen komen omdat ik het wil vergeten en dus ontken. Maar ontkennen kan alleen als er ‘iets’ dreigt wat door angst ervoor vervolgens ontkent wordt.

De eerste ontkenning is al dat we denken een lichaam te zijn dat kan denken. Dit blokkeert al elke verder gedachte. Het uitgangspunt is immers, ik ben een lichaam dat denkt dankzij de hersenen en ja dat lichaam, de hersenen, kunnen als het lichaam slaapt een droom hebben. En ja die dromen kunnen een symbolische betekenis hebben die mij, het lichaam iets probeert te vertellen over mijzelf als lichaam in een wereld tussen andere lichamen, situaties en dingen.
Maar daar stopt het. Het ‘waar’ maken van de wereld, het ‘waar’ maken van lichamen en de ‘ik’ als lichaam blokkeert iedere verdere mogelijkheid tot verder kijken, dan onze neus lang is.

Mijn lichaam is de held van de droom, het centrale punt in de droom, waardoor het niet eens meer gezien kan worden als een droom, maar als ‘echt’ wordt gezien en ervaren.

Maar ja dan komt toch vroeg of laat het onvermijdelijke moment dat de ‘ik’ dit in twijfel gaat trekken.
En zich gaat afvragen: “wie of wat is die ‘ik’”, en dan begint het grote zoeken.

Het zoeken begint altijd daar waar we denken en geloven te zijn: in het lichaam, waarvan we overtuigd zijn dat we dat zijn.
Dat wat we ‘kennen’ en ‘vertrouwen’ wordt her-gebruikt om onszelf stap voor stap terug te voeren op de weg terug naar het herinneren van wat we wilde vergeten, maar nooit compleet kunnen vergeten, omdat we zijn wat we Zijn.

We zijn de dromer van onze eigen droom, maar de dromer is niet het lichaam wat droomt, de dromer is zelf een droom, die droomt van afscheiding en de afscheiding is dus ook een droom, gedroomd als een gedachte, die zich denkt en geloofd los te kunnen maken uit  Eenheid, welke dus ook verworden is tot een gedachte, een geloof binnen de droom, een onmogelijke gedachte, die dus nooit plaats kan hebben…

Het leven is een droom, in een droom, in een droom, in een droom… en dat blijft zo… totdat we de stekker van het geloven erin eruit trekken. Want alleen het geloof erin houdt de droom in stand. Dus houden we angstvallig vast aan het waarmaken van de droom, koesteren we onze dromen van angst, want alles beter dan het idee van een lichaam te zijn moeten laten vallen, want dat vormt onze enige bescherming tegen Eenheid. Want wat zijn we zonder een lichaam, een gedachte? en dan nog slechts een geloof in een gedachte, een waanzinnige droom?

Een waanzinnige droom. En moeten we waanzin te lijf gaan door deze te bestrijden, of te ontkennen?
Als we de droom gaan bestrijden, ontkennen we dat het slechts een droom is. Het geloof in een droom kan alleen stoppen als we werkelijk zien en erkennen dat het een droom is en eruit ontwaken, zoals we ‘s morgens ontwaken uit onze slaapdromen en weten dat het niet werkelijk gebeurd is.

Dus zo kan het verhaal over onze slaapdromen symbool staan voor wat erachter verborgen wordt gehouden, namelijk dat ook het lichaam en dus de wereld een droom is, een geloof, dat maar één doel kan hebben: eruit te ontwaken. Want daar dienen dromen voor, dat is het kenmerk van dromen;  er uit te ontwaken. Niet één droom is eeuwig, want niets binnen de droom van tijd en ruimte is eeuwig, want dromen binnen tijd en ruimte zijn er juist voor bedacht de eeuwigheid te beperken en af te scheiden van Eeuwigheid, wat dus onmogelijk is.

Zo ontmoet een ontwaak programma als ECIW ons daar waar we denken en geloven te zijn en staat het tegelijkertijd symbool voor de onvermijdelijkheid van het ontwaken uit een droom, die nooit heeft kunnen plaatsvinden.
En zo is een ontwaak pad zoals ECIW ook een droom binnen de droom, een reis zonder afstand.
Maar wel een behulpzame droom die ons helpt zachtjes te ontwaken uit een droom die nooit bestaan heeft…

Echter het zachtjes ontwaken uit de droom, zal tijdens de reis van het terug herinneren in Waarheid niet als zachtjes ervaren worden. De weerstand zal groot zijn van wegen het geloof in de angst en de zonde en schuld die aan de bron van de geboorte van de afscheiding staat.
Het is dus zaak goed te beseffen dat niet de angst en de zonde en de schuld de oorzaak van de droom zijn en dus bestreden moeten worden, of ontkend, maar dat slechts het geloof eruit terug getrokken hoeft te worden. En aangezien geloof altijd zijn oorsprong vindt in het denken, dus in de denkgeest (mind), heeft het niets te maken met het lichaam, dat ook slechts een gedachte projectie is, een geloof, vanuit de denkgeest. De pijn die dus ervaren wordt tijdens het ont-denken van de afscheiding is niet de pijn en het lijden van het lichaam, maar het geloof in de pijn en het lijden van de denkgeest, die zich door het te geloven, op deze manier verdedigt tegen het proces van het ontwaken uit de droom.

Vergeving is het milde middel dat ECIW ons aanbied om uit de droom te ontwaken. Vergeving ziet dat wat wij (denkgeest) denken en geloven dat heeft plaatsgevonden slechts een droom is en de eigenschap van een droom is dat deze niet voor eeuwig is, maar slechts een tijdelijke toestand waaruit onvermijdelijk ontwaakt zal worden en gezien zal worden, dat er niets gebeurd is.

…life is but a dream… niet gedroomd door het lichaam, maar door de dromer van de droom, die zelf ook een droom is in een droom van afscheiding, welke ook een droom is, een droom is, een droom is, een droom is…en niet ‘waar’.

Het lijden in de wereld is onvoorstelbaar, en toch stellen we het ons voor. Ik kan er niet meer tegen al dat onvoorstelbare lijden me toch voortdurend voor te stellen, en tegelijkertijd weet ik dat ik het onder ogen moet zien als ik de enige uitweg uit het lijden wil bewandelen, door middel van vergeving. Ik besef dat ‘het er niet tegen kunnen’ een bescherming is tegen het ‘kijken’ olv HG/J. Dus vergeef ik ‘het er niet tegen kunnen’. Vergeving is aan de Hand van Jezus gaan dwars door de gruwel film nachtmerrie van wat wij ons leven noemen heen. Een leven dat enkel en alleen in het teken staat van dood.

Leven kan niet tegelijkertijd dood zijn, dood staat lijnrecht tegenover Leven. Wat ik mijn leven noem is geen leven het is dood, zonder enige betekenis, zonder enig ander doel dan dood. Het is dus niets, het niets dat doordat niets niet kan bestaan van wegen zijn eigen ‘nietsigheid’ wel een tegenhanger moet hebben en er dus een ‘iets’ moet zijn, wat onveranderlijk en eeuwig is, dat wat Leven is.

Het enige wat nodig is om het ‘iets’ weer te herinneren en werkelijk te Leven, is het geloof in ‘niets’ te vergeven. En dat is dan het nieuwe doel van  het leven wat wij denken en geloven te leiden hier in een wereld vol van lijden.

“Wat als al je dromen uit zouden komen?”, hoor ik op tv langskomen.
Maar als dit leven, deze wereld een droom is, dan is dit leven deze droom toch precies waar ik van droom?
Een droom vol met droomfiguren, droom dingen en droom situaties. Een chaotische nachtmerrie vol met geweld, goed en kwaad, zonde, schuld en angst.
Wil ik echt dat dit de dromen zijn die ik wens en uit wil zien komen?
Wil ik echt dat alle gewelddadigheid, al die aanvallen en verdedigingen, al dat onderscheid tussen goed en kwaad, precies zo gebeurt als het lijkt te gebeuren in mijn droom?
Kennelijk, anders zou ik deze droom niet zo ervaren.
Een droom kan alleen maar uit mij voorkomen, net als in de slaap droom, waar we dit heel normaal vinden.
En ja het is werkelijk een verlichtende gedachte ineens de mogelijkheid te zien van dat dit leven deze wereld ook wel eens een droom zou kunnen zijn, net zoals in een slaapdroom.
De onvermijdelijke consequentie hiervan is dat als ik mijn eigen dromen droom en zowel de dromer, de regisseur, de projector en alle droomfiguren ben, niet mezelf meer als slachtoffer kan zien van alles wat mij en de wereld lijkt te overkomen en wordt aangedaan.
En net als in mijn slaapdromen, is alles wat zich afspeelt in mijn dromen niet letterlijk, maar een metafoor. Het staat symbool voor de gedachten die de dromen maken.
En als ik zo naar mijn dromen kijk, dan moeten dat wel erg gewelddadige, angstige gedachten, vol goed en kwaad en zonde en schuld zijn.

Ik zou wel blind moeten zijn om dat niet te zien, zodra ik accepteer dat dit mijn eigen droom is, gemaakt door mijzelf.
En dat is precies wat er gebeurt als ik de droom letterlijk neem en deze als iets buiten mij, los van mijzelf zien, dan ben ik blind, want ik zie iets anders dan wat er IS.
De droom werd werkelijkheid, en verving daarmee de werkelijke Werkelijkheid.
Niet werkelijk, maar het lijkt wel zo te zijn, doordat de herinnering aan wat we Werkelijk zijn is vergeten en er alleen een schijnbaar werkelijke wereld, met alles d’rop en d’ran lijkt te zijn.
Een chaotische kluwen van botsende deeltjes, die elkaar aantrekken en afstoten in een dans van leven en dood.

Dus ja, als ik daar in geloof, dan krijg ik precies waar ik om vraag, een dans van leven en dood, en komt die ‘droom’ helemaal uit.
Dus de vraag “wat als al je dromen uit zouden komen”, is allang vervult.
En als ik daar in blijf geloven, omdat ik dat wil, blijf ik tegen beter weten in geloven dat het nog wel wat wordt met die door mij geprojecteerde wereld en dat als ik m’n best maar blijf doen ik de wereld en z’n bewoners, inclusief mijzelf echt wel kan veranderen, verbeteren en er een gelukkige droom van kan maken.
Het enige wat ik hiermee dan zeg is, ja allemaal leuk dat dit allemaal een droom is, maar het is wel mijn droom, mijn zandbak waar ik mijn eigen zandluchtkastelen bouw, zoals ik dat wil.
Als ik echt zou accepteren dat dit een droom is en ik zou daaruit ontwaken “WAAR BLIJF IK DAN!?”.
En precies dat is de enige angst die mijn droom in stand houd, het verdwijnen van het droom ‘ikje’.

Angst voorkomt dat ik met open niet oordelende ‘ogen’ door de angst heen zal gaan kijken, en dan misschien zal ontdekken dat er geen angst is, maar alleen de angst voor de angst, en dat er achter die angst mijn Werkelijkheid ligt, die nooit verdwenen is, maar slechts vergeten.
Dus de vraag zou nu ook kunnen zijn, in plaats van: “wat als mijn dromen uit zouden komen?”, “wat als “ik” (de denkgeest niet het lichaam “ik”) uit de droom zou ontwaken?”.
Dat is echt totaal ‘out of the box’, ‘buiten de lijntjes’ durven denken.
En daartoe kan ik alleen maar bereid toe zijn, als ik helemaal totaal ‘klaar’ ben met al mijn dromen, en ik totaal onder ogen zie dat er een andere manier moet zijn, omdat deze nachtmerrie van leven en dood niet ‘waar’ kán zijn.

Dit doe ik niet door vol in de aanval te gaan door alles buiten mij waarvan ik nu zie dat het niet klopt aan te vallen en te vernietigen, of desnoods met geweld te verbeteren, want dat is gewoon weer het voortzetten van de aloude droom van angst.
Dit kan alleen door mijn eerdere gedachten die vanuit angst komen plus de daar aan verbonden projecties die de angst uitbeelden, terug te nemen in waar ze vandaan komen, de denkgeest en ze te vergeven, zodat ze oplossen in Waarheid, in Eenheid.
En zolang ik dan nog ‘ervaar’ in de wereld zal alles wat ik doe ook vanuit Waarheid, Eenheid, Liefde komen. Niet met als doel de wereld te verbeteren, maar me volledig te laten leiden door de Waarheidsherinnering, door ECIW de Heilige Geest genoemd.
En dat is de werkelijke betekenis van de gelukkige droom. Mijn droom nu volledig onder leiding van Heilige Geest, in plaats van die van het ego.
Het doel van de wereld die ik dan nog ervaar is totaal anders , niet meer het vermeerderen van angst, met alle daar bijbehorende projecties, maar het uitbreiden van Liefde vanuit Inspiratie en de rest volgt van daaruit automatisch…
Dit is een persoonlijke aanvaarding en ervaring en kan mij niet door ‘iemand’ anders buiten mij gegeven worden.
Want dat is in de wereld van het geloof in het werkelijk bestaan van een wereld vol met afgescheiden figuren onmogelijk.
Geven en ontvangen als één gebaar, als één gedachte, is alleen mogelijk op Geest niveau waar alles alleen maar één is.

%d bloggers liken dit: