archiveren

Tagarchief: ik

Er is alleen maar één.
Altijd, er is alleen EENHEID, en geen tweeheid.

Er is geen ‘ik’ die denkt, er is geen ‘ik’, met een brein dat denkt.

Er is alleen denkgeest.
De bron van alle denken is de denkgeest.

De ene denkgeest.

De ene denkgeest droomt van afscheiding en zo lijkt er een egodenkgeest te zijn, afgescheiden van de ene denkgeest.

Dit ene lijkt nu twee te zijn, de ene lijkt vergeten en nu er ‘twee’ lijkt te zijn lijkt het ene zich steeds weer op te splitsen in twee, steeds weer.
Een wordt twee, steeds weer, zich eindeloos herhalend.

Dit is de droom van tweeheid, een droom, want in werkelijkheid is er alleen nog steeds EEN.

Hieruit volgt dat de ‘ik’ die autonoom lijkt te zijn, niet bestaat, er is alleen denkgeest die denkt. Er is geen brein dat denkt.
Alles wat gedacht wordt komt voort uit de ene gedachte van twee. Een blijft één en wordt nooit twee.

Er zijn derhalve geen individuele personen, met eigen gedachtes afgescheiden van andere personen met gedachtes.

Alle gedachtes ooit gedacht en die nog gedacht gaan worden, komen uit de ene gedachte, hebben één bron.

Alles wat de ‘ik’ denkt komt voort uit de ene denkgeest. Het ‘ik’ denken komt voort uit de gedachte dat tweeheid mogelijk is, de brongedachte van die mogelijkheid is de egodenkgeest en is echter nog steeds geen apart ‘ik’.

Ook de egodenkgeest is één gedachte.

Het stukje ‘ik’ dat denkt apart te kunnen denken bestaat niet, het één denken kan nooit veranderen in twee denken.
Als de ‘ik’ bepaalde gedachtes heeft over ‘anderen’, dan is er nog steeds alleen het één denken uit de ene egodenkgeest, het gaat daarom altijd over ‘mij’, de ene denkgeest en nooit over een andere tweede ‘persoon’ buiten mij.

‘Er zijn geen anderen, er is niets buiten mij’, betekent dat er alleen één denkgeest is en verder niets. Alles wat twee lijkt is niet meer en niet minder dan een projectie vanuit de ene egodenkgeest die droomt van de mogelijkheid dat twee mogelijk is.
Dit alles kan geobserveerd worden vanuit de ene denkgeest die dit alles weet en dit weten zorgt ervoor dat het waanidee van twee terugkeert naar één, waar het nooit is uit weggeweest.

Dus alles wat waargenomen wordt en ervaren als twee, dat wat het dagelijkse leven op aarde wordt genoemd, kan alleen gezien worden als vergevingsmateriaal, omdat er in werkelijkheid niets gebeurt, of gebeurt is of zal gebeuren, er is niets veranderd aan de éénheid, hoe echt tweeheid ook lijkt, het is onmogelijk.

Als dit gezien wordt, echt gezien, en de onmogelijkheid van tweeheid gezien wordt en geaccepteerd en tweeheid is vergeven, dan kan alles wat twee lijkt te zijn nooit meer serieus genomen worden en kan het nog maar één functie hebben: terugkeer naar éénheid, die nooit tweeheid geweest is, zal zijn of zal kunnen worden.

Zo wordt de ‘jij’ nu aangesproken, vanuit de ene Denkgeest tot denkgeest, zonder dat de ene denkgeest wordt verlaten of er buiten treed. De ‘jij’ is denkgeest en nooit een lichaam, één kan nooit twee worden.

Dank deze symbolen van tweeheid, dat ze de herinnering zijn aan wat onmogelijk is en daardoor de herinnering zijn terug aan en in EENHEID.

 

 

 

 

Niet God heeft lichamen en de wereld gemaakt maar ‘ik’ een nietig dwaas afgescheiden idee uit de Eenheid van God droomt dit. En uit een nietig dwaas idee kan niets anders komen dan een nietig dwaas idee.

Zoals uit de Waarheid niets anders kan komen dan Waarheid.

De enige weg uit het nietig dwaas idee, uit de droom, is het vergeven van dit alles.

Vergeven dat wat ik denk dat gebeurt is, en wat ik denk te zijn, een lichaam niet gebeurt kán zijn en derhalve niet waar is.

In de Eenheid van God is immers afscheiding niet mogelijk.

Het nietig dwaas idee is dus God een rol toekennen die hij niet kán volbrengen.

Die onmogelijke rol bestaat uit het waarmaken van het nietig dwaas idee. We trekken God de hel in en laten hem daar de rol vervullen van waarmaker van onze krankzinnige droom van afscheiding.

We eisen van hem dat hij alle overtuigingen die wij als blokkades tegen de Eenheid hebben opgesteld waar maakt.

Overtuigingen zijn de opdrachten die de ego-denkgeest geeft aan God, die uitgevoerd dienen te worden teneinde de Ware scheppende kracht van God en zijn Zoon weg te houden door deze voor te blijven uit angst ervoor.

 

Zo wordt de God van Eenheid, waar wij van zijn afgedwaald in een droom van afscheiding, een te hanteren angst doordat wij nu de macht hebben en hem vertellen wat hij moet doen, namelijk de afscheiding in stand houden.

Deze rol kan God onmogelijk vervullen, omdat het tegen zijn Wil is en tegen die van zijn Ene Zoon, ons ene Zelf.

Wij voelen dit doordat dit hele mechanisme van verdediging en aanval uitgevoerd door onze zelfbedachte nep-god (ego-god) ons uitput, het voelt tegennatuurlijk.

Maar we zijn zo verzonken in de droom dat we de roep van vrijheid, vrede en vreugde niet horen:

‘Zij die speciaal zijn, zijn allen in slaap, omgeven door een wereld van lieflijkheid die ze niet zien. Vrijheid, vrede en vreugde staan hier, naast de baar waarop ze slapen, en roepen hen toe tevoorschijn te komen en uit de droom des doods te ontwaken. Maar zij horen niets. Ze zijn verzonken in dromen van speciaalheid. Ze haten de roep die hen wekken wil, en vervloeken God omdat Hij hun droom niet tot werkelijkheid heeft gemaakt. Vervloek God en sterf, maar niet door de hand van Hem die de dood niet heeft gemaakt, maar enkel in de droom. Open je ogen een beetje; zie de verlosser die God jou gegeven heeft, opdat je hem zou kunnen zien en hem zijn geboorterecht terug zou kunnen geven. Het is het jouwe.'(T24.III.7:1-8)

Teneinde terug te kunnen keren in de Eenheid (waar we nooit zijn weggeweest) moeten we de droom vergeven, en moeten we God vergeven dat hij niet aan onze wensen heeft voldaan. Vergeven in de ware zin, van wat wij denken dat gebeurt is niet heeft plaatsgevonden, omdat het onmogelijk is in de Waarheid die God is, ondualistisch en héél.

‘Vergeef de grote Schepper van het universum – de Bron van leven, liefde en heiligheid, de volmaakte Vader van een volmaakte Zoon – jouw illusies van je speciaalheid. Dit is de hel die jij als je thuis verkoos. Hij heeft die niet voor jou gekozen. Vraag niet dat Hij hier binnentreedt. De weg naar liefde en verlossing is versperd. Maar als jij je broeder wilt bevrijden uit de diepten van de hel, heb je Hem vergeven wiens Wil het is dat jij voor eeuwig in de armen van de vrede rust, in volmaakte veiligheid, zonder de heetgebakerdheid en kwaadaardigheid van één enkele gedachte van speciaalheid die jouw rust verstoort. Vergeef de Hoogheilige de speciaalheid die Hij niet kon geven, en die jij in plaats daarvan hebt gemaakt.’ (T24.III.6:1-7)

Alleen binnen de droom werkt vergeving en heeft het een functie, in de Waarheid is vergeving vanzelfsprekend overbodig.

Lees meer over dit onderwerp op het blog van Rogier: http://rogierfvv.xanga.com/716863709/of-sleeping-beauty/?empty=true

 

 

sleeping-beauty-L

 

 

De Heilige Geest kan alles wat je Hem geeft voor jouw verlossing gebruiken. Maar wat jij achterhoudt kan Hij niet gebruiken, want zonder jouw bereidwilligheid kan Hij het niet van jou wegnemen. (T25.VIII.1-2)

Alles wat ‘ik’ (de egodenkgeest, dus niet het ‘ikje’ de droomfiguur) denk over mijzelf, en anderen, wat ook niets anders is dan gedachten over mijzelf geprojecteerd naar buiten op zgn anderen, en wat zijn oorsprong vindt in de egodenkgeest, in angst, en waar ik nu eerlijk naar leer kijken aan de bron ervan, als waarnemende denkgeest, geef ik over aan HG/J denkgeest.

En al deze waangedachtes over mijzelf, (en anderen wat dus geprojecteerde gedachten over mijzelf zijn) zullen door de HG/J denkgeest omgezet worden in waardevolle hulpmiddelen die nu als helende gedachten over het hele Zoonschap worden uitgespreid en niet anders kunnen dan Helen.

Niets, maar dan ook niets is waardeloos aan de Zoon van God (één denkgeest) die zich terugherinnert en vergeven heeft in de Vader.

De genezen denkgeest zal alleen nog maar als kanaal voor het uitbreiden van Liefde kunnen dienen.

(zie ook de oefening in les 91 (WdI.91.8)

 

‘Ik zal genezen zijn, wanneer ik toelaat dat Hij mij genezen leert’ (T2.V.18:2-6)

 

 

 

 

Höchster, mache deine Güte
Ferner alle Morgen neu.
    So soll vor die Vatertreu
    Auch ein dankbares Gemüte
    Durch ein frommes Leben weisen,
    Dass wir deine Kinder heißen.


 

 

 

 

Ontwaakt of verlicht is de toestand die terugkeert als de dromer van de droom-denkgeest volledig is teruggekeerd in de Denkgeest dus de denkgeest zich niet meer vereenzelvigd met de droom en een droom ‘ik’, met een-nietig-dwaas-idee met de egodenkgeest en zich in het moment waarop het ontstaat meteen weer oplost. Vandaar dat een ‘ik’ of een ‘persoon’ nooit verlicht of ontwaakt kan zijn.

 

 

Deutsche/English

Wir eilen mit schwachen, doch emsigen Schritten,
We hurry with weak yet eager steps,
O Jesu, o Meister, zu helfen zu dir.
O Jesus, O master, to you to help.
Du suchest die Kranken und Irrenden treulich.
You faithfully look for the sick and straying.
Ach höre, wie wir
Ah hear, as we
Die Stimmen erheben, um Hülfe zu bitten!
raise our voices to pray for help!
Es sei uns dein gnädiges Antlitz erfreulich!
May your gracious countenance give us joy!

 

Om helderheid gevraagd, en helderheid gekregen…

‘Ik’ moet het helemaal alleen doen, er is geen andere manier.

Maar wie is die ‘alleen’, niet de projecties, niet het lichaam, het is de denk-geest, de Ene Zoon van God die er naast dat deze er een  een nietig dwaas idee op na houdt, ook de Ene Zoon van God is die Geest is en vrij en rust in God. In beide gevallen geest, nooit een lichaam. De ene een waan-idee, de andere een Waar-idee.

In die hoedanigheid als één geest moet het ‘alleen’ gebeuren.  Ja, alleen, in de hoedanigheid als de Ene Zoon van God (denk-geest), omdat de Ene Zoon van God (denk-geest) wel door de projecties en met de projecties heen moeten werken.

Als de Ene Zoon van God al zijn projecties op die manier kan bekijken en zien, zullen alle projecties richting Bevrijding gaan, dat kan niet anders. Een eenduidig duidelijke afspraak, één duidelijke keuze voor HG/J denkgeest moet wel resulteren in dat de hele wereld van projectie zich die richting uit buigt. Niet uit zichzelf, maar louter door de besturing die erachter zit.

Gebeurt dit niet, dan is alleen de Ene Zoon van God (de ene denk-geest) hier verantwoordelijk voor, niet de projecties. De Ene Zoon van God die in ‘een nietig dwaas idee gelooft’ weet dit, en heeft daarom een ‘zoon van god’ geprojecteerd in de vorm van J, zodat de verantwoordelijkheid op die ‘andere ene zoon van god’ geprojecteerd kan worden en deze dus de schuldige is. En voortdurend gekruisigd moet worden, want één keer is niet genoeg dat moet eindeloos herhaald worden om een idee van continuïteit te krijgen. Een pseudo continuïteit die de continuïteit van de eenheid moet vervangen, maar daar nooit in zal slagen natuurlijk.

De Ene Zoon van God is dus verantwoordelijk voor die ene (waan) gedachte, en dat is het enige probleem en daar ligt de enige oplossing.

De projecties, lichamen kunnen zich nooit verenigen, alleen de Ene Zoon van God kan zich herinneren dat er maar één Ene Zoon van God is, die rust in de Vader.

En dat ‘herinneren’ gaat via de ervaring van de projecties die de Ene Zoon van God zelf gemaakt heeft, door elke projectie te vergeven…



 



%d bloggers liken dit: