archiveren

Tagarchief: broeder

Deze week begint met palmtakken en eindigt met lelies, het witte en
heilige teken dat Gods Zoon onschuldig is. Laat geen duister teken
van kruisiging tussen de reis en het reisdoel komen, tussen de aanvaarding
van de waarheid en de uitdrukking daarvan. Deze week vieren
we het leven, niet de dood. En we eren de volmaakte zuiverheid
van Gods Zoon, en niet zijn zonden. Bied jouw broeder het geschenk
van lelies aan, niet de doornenkroon; de gave van liefde, niet het ‘geschenk’
van angst. Jij staat naast je broeder, doornen in de ene en lelies
in de andere hand, onzeker wat te geven. Schaar je nu aan mijn
kant en werp de doornen weg, en geef de lelies in hun plaats. Deze
Pasen wil ik graag het geschenk van jouw vergeving ontvangen, door
jou aan mij gegeven en door mij aan jou teruggegeven. We kunnen
niet verenigd zijn in kruisiging en dood. Noch kan de opstanding
compleet zijn tot jouw vergeving op Christus rust, samen met die van
mij. (T20.I.2:1-10)

Het ego is geen ‘ding’, het ego is geen ‘energie’, er ‘is’ geen ego.
Er lijkt alleen een keuze te zijn tussen onveranderlijkheid en veranderlijkheid.
Door dit waar te nemen vanuit die zogenaamde keuze (on)mogelijkheid zie ik meteen de onmogelijkheid hiervan; dat wat onveranderlijk is zal zich nooit afvragen of er überhaupt een keuze is, dat wat wel de keuze lijkt te maken is het onmogelijke veranderlijke, wat zichzelf daarmee weg streept, omdat het onmogelijke niet kán bestaan.

Oké dan, ‘ik’, de onmogelijke gedachte ‘ik’, kan niet werkelijk zijn, conclusie:
het enige wat mogelijk is binnen de ervaring van het volstrekt onmogelijke  is ophouden met het in stand proberen te houden van wat onmogelijk is, want waarom zou het onmogelijk nog gedachten steken en proberen in stand te houden wat onmogelijk is, dat is toch onzinnig?

Wat valt er nog anders te kiezen dan voor Ware Vergeving te laten schijnen over elke onmogelijke gedachte die ‘ik’ waarnemende/keuzemakende gedachte nog voorbij zie trekken?

“[Ware] Vergeving ziet in dat wat jij dacht dat je broeder [‘broeder’ in de zin van alles waar de denkgeest mee in interactie lijkt te staan] jou heeft aangedaan, niet heeft plaatsgevonden [van wegen het onmogelijke ervan zoals hierboven beschreven]” (WdII.1).

([tussen] toevoeging van ‘mij’)

 

Een tijdloosheid waarin de tijd tot werkelijkheid is gemaakt, een deel van God dat zichzelf kan aanvallen, een afgescheiden broeder als vijand, een denkgeest in een lichaam: het zijn allemaal vormen van circulariteit waarvan het einde bij haar uitgangspunt begint, en bij haar oorzaak eindigt. (ECIW T27.VIII.7)


Een gesloten gedachte-circuit, niet in staat iets anders te denken dan dat, waar het voor gemaakt is.

Het begin en het eindpunt liggen in hetzelfde nietig dwaas idee, als de waarnemer-denkgeest dit ziet samen met J dus door HG Denkgeest, dan is het einde ego-denkgeest want die is simpelweg nooit begonnen….. !.

 

Ook in het Thomas evangelie in logion 18 zegt Jezus hetzelfde:

‘De volgelingen zeiden tot J: ‘Vertel ons hoe ons einde zal zijn:. ‘Hij zei: ‘Hebben jullie dan het begin gevonden, dat jullie nu het einde zoeken? Want waar het begin is zal het einde zijn. Gelukkig is degene die aan het begin staat: hij zal het einde weten en de dood niet proeven.’

 (Jouw onsterfelijke werkelijkheid blz. 181, Gary Renard, of Closing The Circle p.91, Rogier Fentener van Vlissingen)

 

 

 

 

GOD IS het enige wat er IS.

‘Eenheid is eenvoudig het idee: God is. En in Zijn Wezen omvat Hij alles. Geen enkele denkgeest bevat iets anders dan Hem. We zeggen: ‘God is’, en doen er dan het zwijgen toe, want in die wetenschap verliezen woorden hun betekenis. Er zijn geen lippen om ze uit te spreken en er is geen deel van de denkgeest onderscheiden genoeg om te voelen dat hij zich nu gewaar is van iets dat niet hijzelf is. Hij heeft zich verenigd met zijn Bron. En als zijn Bron Zelf, is hij alleen maar. We kunnen hierover absoluut niet spreken, schrijven, en niet eens denken. Het komt tot elke denkgeest, wanneer het totale inzicht dat zijn wil de Wil van God is, volkomen is gegeven en volkomen is ontvangen. Het brengt de denkgeest terug in het oneindige heden, waarin verleden en toekomst niet denkbaar zijn. Het ligt voorbij verlossing, voorbij elke gedachte aan tijd, voorbij vergeving en het heilige gelaat van Christus.
De Zoon van God is eenvoudig opgegaan in zijn Vader, zoals zijn Vader in hem. De wereld is er helemaal nooit geweest. De eeuwigheid blijft een constante staat.'(WdI.169.5-6)

Zelfs de woorden GOD IS zijn symbolen. Woorden zijn immers symbolen van symbolen, dus twee keer verwijderd van de werkelijkheid.

‘God verstaat geen woorden, want die zijn gemaakt door afgescheiden denkgeesten om hen in de illusie van afgescheidenheid te houden. Woorden kunnen behulpzaam zijn, vooral voor de beginner, om je te helpen concentreren en het gemakkelijker te maken irrelevante gedachten buiten te houden of op zijn minst te beheersen.
Laten we echter niet vergeten: woorden zijn slechts symbolen van symbolen.
Ze zijn daarom dubbel van de werkelijkheid verwijderd.’ (H.21.1:7-10)

Ja laten we niet vergeten dat we symbolen zijn, symbolen voor de denkbeeldige afscheiding van God, die niet gebeurt kán zijn in werkelijkheid, dus slechts een ‘nietig dwaas idee is’.  Het verhaal van de verloren zoon is hier een prachtig symbolisch voorbeeld van:

‘Luister naar het verhaal van de verloren zoon en verneem wat Gods schat is en die van jou: deze zoon van een liefdevolle vader verliet zijn thuis en meende dat hij alles had verbrast aan niets van enige waarde, hoewel hij toentertijd de waardeloosheid ervan niet inzag. Hij schaamde zich ervoor naar zijn vader terug te keren, omdat hij dacht dat hij hem had gekwetst.  Maar toen hij thuiskwam verwelkomde de vader hem vol vreugde, omdat de zoon zelf zijn vaders schat was. Hij wilde niets anders.’ (T8.VI.4:1-4)

In deze wereld van symbolen is de waarheid gelukkig nooit verloren gegaan. Deze herinnering dient zich ook aan als symbool; de Heilige Geest of Jezus, die ons door de doolhof van de symbolen weer naar Huis toe brengt, waar we nooit zijn weggeweest.

Jezus zegt hierover zelf:

‘Laat mij voor jou het symbool zijn van het einde van schuld, en kijk naar je broeder zoals jij naar mij zou kijken.
Vergeef mij al de zonden die jij meent dat de Zoon van God heeft begaan. En in het licht van jouw vergeving zal hij zich herinneren wie hij is, en vergeten wat nooit is geweest. Ik vraag om jouw vergeving, want als jij schuldig bent, moet ik dat ook zijn. Maar als ik schuld te boven kwam en de wereld overwon, dan was jij met mij. Wil jij in mij het symbool zien van schuld, of van het einde van schuld, wanneer jij je herinnert dat wat ik voor jou beteken jij ook in jezelf ziet?’ (T19.IV.B.6:1-5)

Laat ik op deze Vaderdag al mijn ‘verlorenzoon’ gedachtes op zijn Altaar leggen en terugkeren naar Huis.

‘De verloren zoon’, Rembrandt.

Prachtig lied van Stef Bos met een extra beleving als je de symboliek van de Vader kunt horen.

 

 

Het laatste of beter mijn laatste taboe?

Dat is volgens mij het schijnbaar lastigste obstakel, schijnbaar omdat het natuurlijk in moeilijkheidsgraad op vergevingsniveau niet uitmaakt.

Maar om het lichaam als neutraal te zien, niet als ‘ik’, als wat ik ben, niet als ‘waar/werkelijk’. Ik worstel zo vreselijk met mijn dierbare verslavende en tegelijkertijd gehate projectie het lichaam dat het echt een klus lijkt om dat als neutraal te leren zien. En ja daar heb ik Hulp bij nodig om me voor te kunnen stellen dat datzelfde lichaam ook een symbool een kanaal kan zijn voor Liefde (met hoofdletter L).

Wat zegt ECIW hierover?

De vraag die moet worden gesteld: ‘Waar kan ik voor bescherming heen?’ (T4.V.1:1-2)

Het ego heeft het lichaam als zijn huis gekozen, maar tegelijkertijd haat het ego het lichaam. Dus de denkgeest volgt het ego door het lichaam als zijn huis te zien, als een veilige plek, die de denkgeest zal beschermen maar tegelijkertijd verteld het ego de denkgeest dat het niet veilig is het lichaam, dus is de logische vraag dan, ‘Waar kan ik voor bescherming heen?

Het klopt niet, en omdat het ego hier geen kloppend antwoord op kan geven is de vraag gewoon gewist. En het enige wat overblijft, is een voortdurend gevoel van onbehagen. En een niet aflatende zoektocht naar verlichting van dit onbehagen.

En zolang de denkgeest blijft zoeken met als raadgever het ego zal het ‘zoekt en gij zult niet vinden’ blijven, want het ego komt met niets blijvends op de proppen.

 

‘De karakteristieke drukdoenerij van het ego over bijzaken dient precies dat doel. Volledig in beslag genomen worden door opzettelijk onoplosbare problemen is een lievelingslist van het ego om de voortgang van het leerproces te hinderen. Maar bij al deze afleidingsmanoeuvres luidt de enige vraag, die nooit door degenen die ze bedrijven wordt gesteld: ‘Waartoe?’ (T4.V.6:5-9)

 

En daarom lijkt het alsof er miljarden problemen zijn, die miljarden vragen oproepen geboren uit dat gevoel van onbehagen en ongenoegen, terwijl er maar één vraag is: ‘Waar kan ik voor bescherming heen?’ en het antwoord is me tot HG/J wenden met deze vraag, me wenden tot vrede en vreugde in plaats van tot chaos (ego).

 

En de opdracht is eenvoudig:

‘Jou wordt gevraagd zo te leven dat je demonstreert dat jij geen ego bent, en ik vergis me niet als ik Gods kanalen uitkies.’ (T4.V.6:2-3)

 

‘Het ego scheidt door middel van het lichaam. De Heilige Geest reikt door middel van het lichaam naar anderen. Jij neemt je broeders niet waar zoals de Heilige Geest dat doet, omdat jij lichamen niet louter als een middel beschouwt om denkgeesten onderling te verbinden en ze te verenigen met die van jou en mij. Deze interpretatie van het lichaam zal jou volkomen van gedachten doen veranderen over de waarde ervan. Van zichzelf heeft het er namelijk geen.’ (T8. VII.2:3-4)

 

‘Als jij het lichaam voor een aanval gebruikt, berokkent het jou schade. Als je het alleen gebruikt om de denkgeest te bereiken van hen die geloven dat ze een lichaam zijn, en hun door middel van het lichaam leert dat dit niet zo is, zul jij de macht van de denkgeest die in jou is begrijpen. Als jij het lichaam enkel en alleen hiervoor gebruikt, kun je het niet gebruiken om aan te vallen. Dienend om te verenigen wordt het een prachtige les in gemeenschap, die waarde heeft tot er gemeenschap is. Dit is Gods manier om onbegrensd te maken wat jij begrensd hebt.’ (T8.VII.3:1-5)

 

‘Maar als jij een broeder als een fysieke entiteit beziet, gaan zijn kracht en heerlijkheid voor jou ‘verloren’, en dat geldt ook voor die van jou. Je hebt hem aangevallen, maar dan moet jij eerst jezelf aangevallen hebben. Bezie hem niet op die manier, omwille van jouw eigen verlossing die hem zeker de zijne brengen zal. Sta hem niet toe dat hij zich in jouw denkgeest kleineert, maar ontsla hem van zijn geloof in kleinheid, en ontkom zo aan dat van jou.

Als deel van jou is hij heilig. Als deel van mij ben jij dat ook. Met een deel van God Zelf communiceren betekent voorbij het Koninkrijk reiken naar de Schepper ervan, via Zijn Stem

die Hij tot deel van jou heeft gemaakt.’(T8. VII.5:3-9)

 

‘De Heilige Geest leert jou je lichaam alleen te gebruiken om jouw broeders te bereiken, zodat Hij Zijn boodschap via jou onderwijzen kan. Dit zal hen en daarom jou genezen.’ (T8.VIII.9:1-3)

 

Daarvoor dien ik het lichaam als neutraal te leren zien, en al mijn gedachtes erover op het altaar te leggen en in het Licht op te laten lossen als geschenk aan God, niet als opoffering, als iets opgeven, nee maar om juist ‘niets’ weg te geven en er Alles voor terug te krijgen.

 

‘Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij.

Want ik blijf wat ik ben, zo schiep God mij.’(WdI.Inl.3:3-4)

 

En de in het hieraan voorafgaande blogje aangeboden meditatie met Gary Renard kan hier behulpzaam bij zijn.

 

 

 

 

‘Als jij bent zoals God jou geschapen heeft, dan heeft er geen afscheiding plaatsgevonden tussen jouw denkgeest en de Zijne, geen splitsing van jouw denkgeest en andere denkgeesten, en is er alleen eenheid geweest binnen die van jou.’

(…)

‘Ik ben zoals God mij geschapen heeft. Zijn Zoon kan niet lijden. En ik ben Zijn Zoon.’

(WdI.110.4:2, 6:2-4)

 

‘Zoek Hem binnenin je die Christus in jou is, de Zoon van God en broeder voor de wereld; de Verlosser die voor eeuwig is verlost, met de macht eenieder te verlossen die Hem hoe zacht ook, aanraakt, vragend om het Woord dat hem zegt dat hij een broeder is van Hem.’

(WdI.8:1)

 

‘De morgenster van deze nieuwe dag aanschouwt een andere wereld, waar God verwelkomd wordt, en Zijn Zoon samen met Hem.’ (VvT.Nw.5:4)

 

 

 

 

%d bloggers liken dit: