Het ‘doen’ taboe

Hoe komt het toch dat er zo’n taboe lijkt te liggen op het begrip ‘doen’, vooral in Cursus-land, maar ook in andere denksystemen?
Zodra we als studenten van ECIW teruggevoerd worden naar de denkgeest, is er onmiddellijk de verwarring (weerstand): ‘ja maar moet ik dan maar niets doen dan?’
En ook al laten we ons dat 1000 x uitleggen door de Cursus zelf of door iemand anders aan wie we de vraag stellen, nog blijft deze weerstand (want dat is het) hardnekkig steeds maar weer de kop op steken.

In ECIW komen we het volgende hierover tegen:

Toch is het haast onmogelijk zijn bestaan [het lichaam dus] in deze
wereld te ontkennen. Wie dit doet, begaat een bijzonder onwaardige
vorm van ontkenning. De term ‘onwaardig’ betekent hier alleen dat de
denkgeest niet hoeft te worden beschermd door de ontkenning van wat
onnadenkend is. “ (T2.VI.3:10-13)

Wat ECIW beoogt is het doen herinneren dat ik denkgeest ben en niet een lichaam.
Dit is voor ons, die echt denken en geloven een lichaam te zijn met een denkgeest, zo’n tegenstrijdige gedachte, dat we gewoon een enorme weerstand voelen tegen de gedachte dat dat wat we denken en geloven te zijn, een lichaam, zich in de denkgeest bevindt, en dus een gedachte is, een gedachte in een gedachte. En dan kan er niet anders dan verwarring ontstaan over hoe het dan met het ‘doen’ in de wereld zit.
Als de wereld een gedachte is, wat betekent ‘doen’ dan?
Ja het ‘doen’ speelt zich 100% af in de denkgeest, omdat er alleen denkgeest is.
En het ‘doen’ vanuit de denkgeest kan op maar twee manieren, of vanuit zonde, schuld en angst (ego), of vanuit Liefde (HG).
Maar tegelijkertijd zegt ECIW ook dat we de wereld die we ervaren en denken te zijn, niet moeten gaan ontkennen.
ECIW ontmoet ons waar we denken en geloven te zijn.
En we denken en geloven een lichaam te zijn in een wereld vol met anderen, dingen en situaties.
Dus daar begint het leerplan van HG, op de eerste plaats leren we dat we denkgeest zijn en dan begint het grote omkeren, van egodenkgeest denken, naar HG Denkgeest denken.
En dat wat we denken en geloven te zijn, een lichaam en de wereld krijgen een heel ander doel en functie.
Het ‘doen’ in de wereld is niet meer een doel op zich, maar een herinnering naar de gedachte te kijken die de gedachte heeft geprojecteerd.
En dat zijn bijna altijd gedachten vanuit zonde, schuld en angst, die als enig doel hebben te vluchten uit de denkgeest in de projecties van diezelfde denkgeest, projecties die vervolgens autonoom lijken te zijn, doordat hun bron (de denkgeest), tegelijkertijd wordt ontkend.
Het ontkennen wordt ‘vergeten’ en het lijkt nu alsof de projecties, die niet meer als zodanig herkent worden, om actie vragen.

Theoretisch kunnen we dit eventueel als we daarvoor openstaan nog wel volgen, maar in de alledaagse praktijk lijkt dat onmogelijk.
Maar dat is het niet, want wat echt onmogelijk is, is denken en geloven een lichaam te zijn in een wereld, waar van alles mee moet gedaan worden.
Echter dit soort ‘doen’ wordt ons niet afgepakt als we leren terug te gaan naar wat we werkelijk zijn, denkgeest, het zal onder leiding van HG worden her-gebruikt, als we dat als waarnemende/keuzemakende denkgeest toelaten als we er als denkgeest aan toe zijn. En dat merk je vanzelf als het zover is.
Alleen het van waaruit het ‘doen’ komt verandert, in plaats van dat het ‘doen’ vanuit zonde, schuld en angst komt, zal het, na vergeving van diezelfde zonde, schuld en angst gedachten die achter het ego ‘doen’ schuilgingen, nu vanuit een vergeven denkgeest komen (HG) en dan zal wat we doen altijd liefdevol zijn, omdat het nu vanuit de liefdevolle kant van de denkgeest komt: HG Denkgeest. Dat is een ‘doen’ vanuit Vertrouwen, dat dat wat ik ‘hoor’ zonder twijfel liefdevol zal zijn, omdat ik Vertrouw dat de Bron Liefde is.

ECIW zegt hierover in het Handboek voor leraren:

“Een aanzienlijke belemmering bij dit aspect van zijn leerweg is de angst
van Gods leraar over de geldigheid van wat hij hoort. En wat hij hoort kan
zonder meer heel verbijsterend zijn. Het kan ook ogenschijnlijk helemaal
niet van toepassing zijn op het voorliggende probleem zoals hij dat ziet,
en kan de leraar zelfs met een situatie confronteren die hem in grote verlegenheid
lijkt te brengen. Dit zijn allemaal oordelen die geen waarde
hebben. Ze zijn van hemzelf en komen voort uit een armoedig zelfbeeld
dat hij achter zich zou kunnen laten. Vel geen oordeel over de woorden
die tot je komen, maar biedt ze in vertrouwen aan. Ze zijn veel wijzer dan
de jouwe. Gods leraren beschikken over Gods Woord achter hun symbolen.
En aan de woorden die ze gebruiken geeft Hij Zelf de kracht van Zijn
Geest, en verheft ze van betekenisloze symbolen tot de Roep van de
Hemel zelf” (H.21.5:1-8).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: