archiveren

Dagelijks archief: april 24, 2015

Wantrouwen is de weerspiegeling van de keuze voor egodenkgeest, naar buiten geprojecteerd als uitbeelding daarvan.
Het ego, de egodenkgeest is nooit te vertrouwen, want het komt voort uit wantrouwen (vorm van zonde, schuld en angst) en kan derhalve alleen maar vormen van zonde, schuld en angst projecteren, wat enkel en alleen dient om in de afscheiding te blijven.
Vertrouw nooit lichamen, of dingen, op zich, want dit zijn de projecties van de egodenkgeest, voortkomend uit zonde, schuld en angst. Het ego is dus ‘wantrouwen’.
Richt je vertrouwen op de bron, de denkgeest, want daar kan het wantrouwen, wat eerst onder ogen moet worden gezien vergeven worden en zal olv HG/J Vertrouwen opnieuw geprojecteerd worden wat zich zal weerspiegelen door lichamen en dingen.
Dit HG/J projecteren is van een andere orde dan de projectie van de egodenkgeest.
Het blijft in beide gevallen een projectie, alleen de egodenkgeest koppelt het los van de denkgeest, de projector dus, zodat het nu lijkt alsof er een autonoom apart lichaam is dat van alles doet en uithaalt en dat het eigenlijk nog steeds een projectie is en blijft wordt daardoor ‘vergeten’.
In het geval van Heilige Geest projectie, dus projectie uit de juist-gerichte denkgeest, wordt weer herinnerd en begrepen dat wat gezien wordt een projectie is, een projectie afkomstig vanuit de (ego)denkgeest, daar waar gekozen is voor vormen van zonde, schuld en angst.
Dan pas kunnen de projecties onder ogen worden gezien, als zodanig ervaren, benoemd en teruggenomen worden naar hun bron de denkgeest en kan er opnieuw gekozen worden.
Dit bekent dat alle situaties, ervaringen tussen lichamen, niet echt zich tussen lichamen afspelen, maar in de denkgeest.
De Cursus zegt hierover:

‘De wereld die wij zien weerspiegelt slechts ons eigen innerlijk referentiekader
– de ideeën, wensen en emoties die de overhand hebben in onze denkgeest.
‘Projectie maakt waarneming’ (T13.V.3:5; T21.In.1:1). Eerst kijken we
naar binnen, besluiten welke wereld we willen zien en vervolgens projecteren
we die wereld naar buiten, en maken haar tot de waarheid zoals wij die
zien. We maken die waar door onze interpretaties van wat we zien. Als we
waarneming gebruiken om onze eigen vergissingen te rechtvaardigen – onze
woede, onze neiging tot aanvallen, ons gebrek aan liefde in welke vorm ook
–, dan zien we een wereld van slechtheid, verwoesting, kwaadaardigheid, afgunst
en wanhoop. Dat alles moeten we leren vergeven, niet omdat we ‘lief
en aardig’ zijn, maar omdat niet waar is wat we zien. We hebben de wereld
door onze verwrongen verdedigingsmechanismen vervormd en zien daarom
wat er niet is. Naarmate we leren onze waarnemingsfouten te herkennen,
leren we ook eraan voorbij te zien of te ‘vergeven’. Op hetzelfde moment vergeven
we onszelf, en kijken we voorbij ons verwrongen zelfbeeld naar het
Zelf dat God in ons en als ons geschapen heeft’(Vw.xi).’

En

‘Projectie maakt waarneming, en daarbuiten kun je niet zien.
Steeds en steeds weer heb jij je broeder aangevallen, omdat je in hem een
schaduwfiguur in je privé-wereld zag. En zo komt het dat het onvermijdelijk
is dat je eerst jezelf aanvalt, want wat je aanvalt bevindt zich niet in
anderen. De enige realiteit die het heeft bevindt zich in jouw eigen denkgeest,
en door anderen aan te vallen, val je letterlijk aan wat er niet is’(T13.V.3:5-8).’

En

‘Projectie maakt waarneming. De wereld die jij ziet is wat jij haar gegeven
hebt, niets meer. Maar ook al is ze niets meer, ze is ook niets
minder. Daarom is ze voor jou belangrijk. Ze getuigt van de staat van
jouw denkgeest, de uiterlijke weergave van een innerlijke toestand.
Zoals een mens denkt, zo neemt hij waar.* Probeer dan ook niet de
wereld te veranderen, maar kies ervoor je denken over de wereld te
veranderen. Waarneming is een gevolg, geen oorzaak. En juist om die
reden is een rangorde naar moeilijkheid bij wonderen zonder betekenis.
Alles wat met visie wordt bezien, is genezen en heilig. Niets wat
zonder dat wordt gezien, heeft enige betekenis. En waar geen betekenis
is, heerst chaos’(T21.In.1:1-12).’

Dit is goed nieuws, want daardoor zijn ‘wij’ in werkelijkheid nooit meer slachtoffer van een zogenaamd aanvallend lichaam.
Want er is geen lichaam dat kan aanvallen, er is alleen de ene denkgeest die denkt een lichaam te zijn (het ego), en dit geloof projecteert, zodat het nu lijkt en geloofd wordt dat er wel een lichaam is dat ‘mij’ aanvalt.
Dit alles is dus een gedachte en het geloof in deze gedachte, meer is het niet en zal het ook niet worden.
Het feit dat het een gedachte is, betekent dat het kan veranderen en dat we zelf verantwoordelijk zijn voor de staat van onze denkgeest, het is niemands schuld, ook niet die van onszelf, het gaat sowieso niet over schuld, maar slechts over een vergissing:

‘Het geheim van de verlossing is slechts dit: dat jij dit jezelf aandoet. Wat
ook de vorm van de aanval is, dit is nog steeds waar. Wie ook de rol van
vijand of van aanvaller op zich neemt, dit is nog steeds de waarheid. Wat
ook de oorzaak lijkt van enig leed of lijden dat je voelt, dit is nog steeds
waar. Je zou namelijk helemaal niet reageren op figuren in een droom
waarvan je wist dat je die droomde. Laat ze zo haatdragend en kwaadaardig
zijn als ze maar zijn, ze kunnen geen effect op jou hebben, behalve
wanneer jij naliet in te zien dat het jouw droom is’ (T27.VIII.10).’

Dat betekent echter niet dat we in de wereld ‘niets meer zeggen of doen’. Als we opnieuw gekozen hebben in de denkgeest, na vergeving, zal wat we kunnen zeggen of te doen staat getoond worden, maar nu niet meer vanuit zonde, schuld en angst, maar vanuit Liefde:

‘Heeft de leraar van God dan bij zijn onderricht het gebruik van woorden
te vermijden? Nee, zeker niet! Velen dienen door middel van woorden te
worden bereikt, omdat ze vooralsnog niet in staat zijn in stilte te horen.
De leraar van God dient echter woorden op een nieuwe manier te leren
gebruiken. Geleidelijk aan leert hij hoe hij ervoor kan zorgen dat zijn
woorden voor hem gekozen worden, door niet langer zelf te beslissen wat
hij zeggen moet. Dit proces is niets anders dan een bijzonder voorbeeld
van de les uit het werkboek die zegt: ‘Ik doe een stap terug en laat Hem
de weg wijzen.’ De leraar van God aanvaardt de woorden die hem geboden
worden en geeft zoals hij ontvangt. Hij beheerst niet de richting van
zijn spreken. Hij luistert en hoort en spreekt.
Een aanzienlijke belemmering bij dit aspect van zijn leerweg is de angst
van Gods leraar over de geldigheid van wat hij hoort. En wat hij hoort kan
zonder meer heel verbijsterend zijn. Het kan ook ogenschijnlijk helemaal
niet van toepassing zijn op het voorliggende probleem zoals hij dat ziet,
en kan de leraar zelfs met een situatie confronteren die hem in grote verlegenheid
lijkt te brengen. Dit zijn allemaal oordelen die geen waarde
hebben. Ze zijn van hemzelf en komen voort uit een armoedig zelfbeeld
dat hij achter zich zou kunnen laten. Vel geen oordeel over de woorden
die tot je komen, maar biedt ze in vertrouwen aan. Ze zijn veel wijzer dan
de jouwe. Gods leraren beschikken over Gods Woord achter hun symbolen.
En aan de woorden die ze gebruiken geeft Hij Zelf de kracht van Zijn
Geest, en verheft ze van betekenisloze symbolen tot de Roep van de
Hemel zelf’ (H21.4,5)’

Met leraar van God wordt niet een speciale positie bedoelt, we zijn allemaal leraar en leerling, we onderwijzen en leren tegelijkertijd, niet als lichamen, maar enkel en alleen op denkgeest niveau wat dan weer weerspiegeld wordt door lichamen en dingen, wat nog steeds projecties zijn, zoals we al eerder zagen.
Het is ook niet een speciale functie in deze wereld, we leren en onderwijzen altijd, niet alleen op speciale plekken en gelegenheden, maar altijd. En we onderwijzen enkel en alleen dat wat we geloven.
En daar bedoel ik niet mee een bepaalde geloofsrichting, ik bedoel geloven als mechanisme. Enkel alleen ons geloof in een wereld lijkt een wereld op te leveren.
Met leraar van God word dus bedoelt, de denkgeest (niet het lichaam) die kiest voor vergeving en dit als zijn enige ‘Speciale’ functie ziet, en daardoor leert kijken vanuit Liefde (HG) in plaats vanuit angst (ego).
En alleen daaruit kan Vertrouwen ontstaan:

‘I. Vertrouwen
Dit is het fundament waarop hun vermogen om hun functie te vervullen
rust. Waarneming is het resultaat van leren. In feite is waarneming leren,
omdat oorzaak en gevolg nooit gescheiden zijn. De leraren van God hebben
vertrouwen in de wereld, omdat ze hebben geleerd dat die niet wordt
geregeerd door wetten die de wereld heeft ontworpen. Ze wordt geregeerd
door een kracht die in hen maar niet van hen is. Het is deze kracht
die alles geborgen houdt. Het is dankzij deze kracht dat de leraren van
God een wereld zien die is vergeven.
Wanneer deze kracht eenmaal is ervaren, is het onmogelijk nog op je
eigen onbeduidende vermogens te vertrouwen. Wie zou proberen met de
nietige vleugels van een mus te vliegen wanneer hem de machtige kracht
gegeven is van een adelaar? En wie zou zijn vertrouwen stellen in het
schamele aanbod van het ego wanneer de gaven van God voor hem worden
neergelegd?’ (H4.I.1,2)’

%d bloggers liken dit: