archiveren

Maandelijks archief: december 2013

Interessant ineens een ego-overtuiging te onderscheppen die er eigenlijk altijd al was, maar zo normaal onderdeel uitmaakt van mijn ‘normale’ dagelijkse gedachtestroom ik deze nog niet eerder zo duidelijk opgemerkt had, ten minste nog nooit zo bewust duidelijk.
En dat is ‘afwijzing’. En aangezien er ook maar één ego-denkgeest is moet deze gedachte bij het hele zoonschap bekend zijn én herkenbaar.

‘De afscheiding is het idee van afwijzing. Zolang je dit onderwijst zul je erin geloven. (T6.II.18:4)’

En hoe vaak voel ik me niet afgewezen, een paar voorbeelden: als een mail niet beantwoord wordt, als iemand zijn afspraak niet na komt, als iemand te laat komt, als ik iemand naar me zie kijken, als iemand mij niet ziet, als ik niet de waardering krijg die ik denk verdient te hebben, of als ik juist wel de waardering krijg die ik niet denk verdient te hebben enz. enz. eigenlijk bij elke gedachte zit ook de gedachte van afwijzing altijd. Als ik heel eerlijk kijk en observeer als waarnemer zie ik in elke gedachte wel een vorm van afwijzing, hoe subtiel soms ook.
En het ligt zo voor de hand, bijna een basisovertuiging waaruit alle andere voort zijn gekomen.
Aan de bron ligt weer zoals bij alles de droom van afscheiding van God, uitgebeeld in oeroude verhalen, zoals de verbanning uit het paradijs, het basisverhaal voor uitbreiding van elke vorm van afwijzing.

Al observerend kom ik erachter dat bij elke gedachte die ik heb standaard, de gedachte en het gevoel van afwijzing schuilt, soms heel duidelijk, vaker verborgen en minder duidelijk.
Eigenlijk zorgt deze overtuiging van afgewezen te zijn en te worden er bij elke gedachte voor dat ik uit het ‘paradijs’ blijf, na de eerste droom van afwijzing door God.

Afwijzing als beveiliging tegen de Liefde van God.

‘Ze beseffen niet dat het afwijzen van God neerkomt op het afwijzen van hun eigen Identiteit, en in die zin is de dood het loon van de zonde. Dit dient heel letterlijk te worden verstaan: door het leven af te wijzen wordt het tegendeel ervan waargenomen, zoals alle vormen van afwijzing dat-wat-is vervangen door dat-wat-niet-is. In werkelijkheid kan niemand dit doen, maar dat je kunt denken dat je dit kunt en geloven dat je dit hebt gedaan, staat buiten kijf.
Vergeet echter niet dat het afwijzen van God onvermijdelijk uitmondt in projectie, waarbij je zult geloven dat anderen en niet jijzelf jou dit hebben aangedaan. Jij moet wel de boodschap ontvangen die je geeft, want het is de boodschap die jij wilt. Je gelooft misschien dat jij je broeders beoordeelt aan de hand van de boodschappen die zij jou geven, maar jij hebt hen beoordeeld aan de hand van de boodschap die jij hun geeft. Schrijf jouw afwijzing van vreugde niet aan hen toe, anders kun je de vonk in hen niet zien die jou vreugde zou brengen. De afwijzing van de vonk is het die depressief maakt, want iedere keer wanneer jij je broeders zonder die vonk ziet, wijs je God af.’ (T10.V.1:5-7, 2:1-5)

Zo werkt afwijzing als schild, als bescherming geprojecteerd op een buitenwereld;  als ik iets of iemand afwijs, kan de situatie of iemand mij ook geen pijn doen.
En als iets of iemand mij afwijst word ik gesterkt in het waanidee dat ik uit het paradijs gezet ben door God, en scheid mij verder af en zet zo het afwijzen zelf weer voort, naar buiten geprojecteerd in miljoenen variaties.

Enkele van die ‘creatieve’ ego oplossingen geprojecteerd in een buitenwereld, zodat ‘anderen’ de schuld krijgen, zijn bijvoorbeeld: het onmiddellijk bagatelliseren van de afwijzing; ‘ach niets van aantrekken, niet op reageren, ik heb niets gehoord, ze weten niet beter, la maar gaan, gaat vanzelf wel over, de tijd heelt alle wonden, niet meer aan denken, ga maar wat anders doen’,  het onmiddellijk in de tegenaanval gaan: ‘kan mij het schelen, ik wil er niet eens bij horen als je zo doet, ik begin wel voor mijzelf, met mijn eigen door mij gekozen mensen, die op dezelfde lijn zitten.’, of vanuit woede: ‘klootzak ik krijg je wel, jou wil ik nooit meer zien, ik zal je vernietigen al is het het laatste wat ik doe’, in de slachtofferrol schieten: ‘ze moeten altijd mij hebben,er is mij onrecht aangedaan, ik ben ook zo stom, zo onhandig, ik ben zielig, ik ben in de steek gelaten, je houd niet van me, jij moet mij troosten, of iets moet mij troosten’. Of in de assertiviteit schieten: ‘ach kop op, flink zijn, doorgaan, ik ben echt beter en sterker en slimmer dan ‘zij’, let maar eens op’, of volslagen hulpeloosheid: ‘ik weet het echt niet meer, ik ben aan het eind van mijn latijn, alles zit tegen, ik heb alles geprobeerd.’ Dat zijn zo enkele ego-reacties en ego-oplossingen die ik bedenken kan geboren uit het waanidee van afwijzing en er zijn er vast nog wel meer te ontdekken.

‘Wanneer je bang bent voor wat jij bent waardeer je het niet, en zul je het zodoende afwijzen. Het gevolg daarvan is dat je afwijzing onderwijst.’(T6.I.17:4-5)

‘Allen die in afscheiding geloven, hebben een fundamentele vergeldings en verlatingsangst. Ze geloven in aanval en afwijzing, en dat is dus wat ze waarnemen, onderwijzen en leren.’ (T6.V.B.1:1-2)

‘Telkens wanneer je een broeder een zegening ontzegt, zul jij je misdeeld voelen, omdat afwijzing even totaal is als liefde. Het is even onmogelijk een deel van het Zoonschap af te wijzen als het ten dele lief te hebben. Evenmin is het mogelijk het zo nu en dan totaal lief te hebben. Totaal toegewijd zijn kun je niet af en toe. Afwijzing heeft op zichzelf geen macht,
maar je kunt er de macht van je denkgeest aan geven, waarvan de macht onbeperkt is.’ (T7.VII.1:1-5)

Is er dan niets wat er te doen valt…..?

Ja gelukkig wel, al deze gevoelens opmerken, waarnemen, onder ogen zien zonder een enkel oordeel erover, aan Jezus geven en vergeven.
Dan worden het stuk voor stuk sleutels tot bevrijding.
Wat een bevrijding al deze miscreaties onder ogen te zien en als onschuldig te kunnen waarnemen, als niet plaatsgevonden, slechts een vergissing, een bange, maar onschuldige droom van afscheiding.
Dus iedere keer dat ik me afgewezen voel, is dat een herhaling van de afscheidings- gedachte dat God mij uit het paradijs, de Hemel heeft gezet en ik derhalve moet lijden.
Iedere keer dat ik zo’n gedachte onderschep kan ik deze ego-bron gedachte bij de wortel uittrekken door deze samen met Jezus en of de Heilige Geest te vergeven.
En vooral God vergeven dat deze mij nooit uit het paradijs/de Hemel heeft kunnen zetten.

‘Zoon van God, jij hebt niet gezondigd, maar je hebt je wel zeer vergist. Dit kan echter gecorrigeerd worden en God zal jou daarbij helpen, want Hij weet dat je niet tegen Hem zondigen kunt. Je hebt Hem afgewezen omdat je Hem liefhad, terwijl je wist dat als jij jouw liefde voor Hem zou erkennen je Hem niet zou kunnen afwijzen. Jouw afwijzing van Hem wil dan ook zeggen dat je Hem liefhebt, en dat je weet dat Hij jou liefheeft. Bedenk dat je datgene wat je afwijst eens gekend moet hebben. En als jij afwijzing accepteert, kun je ook accepteren dat die ongedaan wordt gemaakt. Je Vader heeft jou niet afgewezen.’ (T10.V.6:1-6, 7:1)

‘Laat mijn denkgeest de Gedachte van God niet afwijzen.
Wijs de Hemel niet af. Hij is van jou vandaag, mits je erom vraagt. Je hoeft niet te zien hoe groot de gave is of hoezeer je denken veranderd zal zijn, voor hij tot jou komt. Vraag om te ontvangen en hij wordt je gegeven. Hierin ligt overtuiging. Tot jij hem als het jouwe verwelkomt, blijft de onzekerheid. Maar God is rechtvaardig. Zekerheid is niet vereist om te ontvangen wat alleen jouw aanvaarding schenken kan.’ (WdI.165.4:1-8)

(Eerder geplaatst in december 2009).

De ‘waarom’ vraag is de meest gestelde en logische vraag die door elke Cursus student vroeg of laat gesteld wordt.
Hij raakt meteen ook de kern van de metafysica van de Cursus: Er is geen wereld. Er is alleen Geest en die Geest is Eén en daar maken ‘wij’ (denkgeest) ook als Geest onderdeel van uit onveranderlijk verankerd in Eenheid (God).

Als je vanuit deze aanname gaat denken en je neemt aan dat er alleen Geest is dan moet er nog een oplossing gevonden worden, een verklaring voor het feit dat wij (denkgeest) een wereld ervaren, voelen, beleven.
Want of er is een wereld van vormen, die autonoom is, of er is alleen Geest, allebei kan niet.
De Cursus leert ons dan dat wij denkgeest zijn die bij machte is een wereld te projecteren, zoals een projector  een film kan projecteren.
Dat geeft in ieder geval een verklaring waarom wij een wereld zien en ervaren.
Wij, de denkgeest heeft deze wereld geprojecteerd, en het blijft een projectie.
Dit is al heel wat voor onze denkgeest om te kunnen begrijpen laat staan aan te nemen, want er is een rede voor het feit dat wij (de denkgeest)  een wereld projecteren.
Volgens de Cursus doen we dit om ons te verstoppen voor de wraak van God.
En bedenk ondertussen dat de woorden die je nu leest symbolen zijn en niet letterlijk genomen dienen te worden, wat voor de denkgeest ook alweer lastig is.
God staat voor Eenheid en is niet een ‘iets’,  of ‘iemand’ los van ons die de boel aanstuurt. God is puur Geest en Een en wij, ook Geest, een uitbreiding van die Geest, zijn daarmee onverbrekelijk verbonden.
Maar we communiceren nu eenmaal via woorden, en dat kan prima, mits we ze maar niet letterlijk nemen en verstaan, want dan gaan we het niet begrijpen, en is de Cursus ook niet te begrijpen en zal deze niet werken zoals deze bedoelt is.
Als we woorden namelijk wel letterlijk nemen, dan is er ook weer een wereld die waar is, en dat is nu juist waar de Cursus ons anders naar wil laten leren kijken.
Vrijwillig natuurlijk, maar het feit dat we op een goed moment de Cursus tegenkomen (of een andere cursus) wijst er op dat we (de denkgeest) een beetje aan het twijfelen gaan over wat nu eigenlijk Waarheid is, de waarheid straalt als het ware eventjes door in onze afgedwaalde en dromende denkgeest.
En dit volledig anders leren kijken gaat niet zomaar zonder problemen, want (wij) de denkgeest zal zich gaan verzetten, omdat het vreest dat het alles zal verliezen als we dit gedachte pad van ‘anders’ denken gaan volgen.
Dus proberen we ons (wij de denkgeest)  te verstoppen voor God, omdat we geloven (dromen) en in die droom geloven, dat we ons afgescheiden hebben van God, en met die gedachte werden ‘zonde’ en ‘schuld’ en ‘angst’ geboren.
Wij (de denkgeest) heeft gezondigd tegen God (Eenheid) en wij (de denkgeest) heeft het voor mekaar gekregen ons los te maken van Eenheid. Het onmogelijke is gebeurt, lijkt gebeurt, want het is nog steeds onmogelijk los te geraken uit Eenheid.
Omdat wij (denkgeest) toch denken dat het wel gelukt is ons los te maken uit Eenheid staan we nu onder leiding van zonde, schuld en angst en dat projecteren we nu, omdat het niet onze ware natuur is en het eigenlijk niet kunnen verdragen. Projectie van zonde, schuld en angst projecteert een zogenaamde denkbeeldige schuilplaats om ons te verbergen voor de wraak van God, en dat gevoel van de ‘wraak van God’ is ook niets anders dan een projectie van angst, het is niet gebeurt, het is slechts een ‘nietig dwaas idee’ (zie T27.VIII.6:2-3), waar wij (de denkgeest) in zijn gaan geloven.
Projecteren is dus eigenlijk een afstootverschijnsel van de denkgeest die iets probeert wat niet kan.
De denkgeest probeert dus afgescheiden te zijn van Eenheid (God), maar dat is onmogelijk, dus is het niet werkelijk gebeurt.

De waarom vraagt is dus een vraag vanuit afgescheiden denken te zijn (vanuit de egodenkgeest dus) want de vraag impliceert dat het wel gelukt is ons (de denkgeest) afgescheiden te laten zijn van God en nu vragen we ons af hoe dat kan. Het kan dus niet en is daarom niet werkelijk gebeurt.
Maar omdat we het toch als zodanig ervaren alsof het wel gebeurt is, althans als we dat uiteindelijk toe willen geven dat we denken dat het mogelijk is, dan openbaart zich tegelijkertijd ook de weg terug uit deze vergissing van de denkgeest.

Al het projectiemateriaal dat we geprojecteerd hebben schijnbaar naar buiten ons met als resultaat een schijnbaar ‘echte’ wereld, kan nu worden hergebruikt, nu niet voor afscheiding maar voor het opheffen van de afscheiding.
En dat is wat de Cursus noemt Vergeving Ware Vergeving (zie WdI.1 tussen les 220 en 221).

‘Ware Vergeving ziet in dat wat jij dacht dat je broeder jou heeft aangedaan, niet heeft plaatsgevonden.’ (wdII.1.1:1)

Dus alles wat wij (de denkgeest) beleven in een lichaam en in een wereld met andere lichamen en dingen en situaties, kan middels vergeving worden hergebruikt om ons te helpen terug herinneren in Eenheid, in God waar we nooit uit zijn weggeweest.
Vandaar dat de wereld van symbool van afscheiding dan wordt een symbool voor terugkeer uit het nietig dwaas idee van afscheiding dat nooit heeft plaatsgevonden.
Als wij (de denkgeest)  bereid zijn dit te willen doen, dan betekend dit dat de denkgeest een besluit heeft genomen niet meer te luisteren naar de egodenkgeest (het idee van afscheiding), maar naar Heilige Geest Denkgeest, dat gedeelte van de denkgeest dat nog steeds ondanks alles, ondanks de egodenkgeest, nog steeds onveranderlijk is verbonden met Eenheid (God). We zeggen dan dat we ons onder leiding stellen van de Heilige Geest, dus het symbool voor de wil terug te willen keren in Eenheid.

 

Je kunt alleen maar ‘iemand’—en daar bedoel ik de denkgeest mee en niet het lichaam—bereiken via de denkgeest, want alleen de denkgeest bestaat, ook al lijk je een lichaam aan te spreken. Als je dus vanuit lichaamsgerichtheid denkt houdt je jezelf voor de gek. Je zegt bijvoorbeeld iets tegen iemand vanuit de gedachte dat er iets aan de hand is met die persoon als lichaam, terwijl er op egodenkgeest niveau, er een aanvalsgedachte is. En aangezien die aanvalsgedachte de bron is, en niet wat er aan de hand lijkt te zijn op lichaamsniveau, wat immers onmogelijk is, zal het lijken of er op lichaamsniveau, het niet bestaande droomniveau, iets gebeurt, en aangepakt moet worden. Dus goede vormgerichte bedoelingen richting lichaam zullen niet begrepen worden, omdat er op denkgeest niveau (ego niveau) alleen maar aanvals- of verdedigingsgedachtes, afscheidingsgedachtes dus zijn, hoe goedbedoeld ze ook lijken te zijn. Wat dan alleen begrepen wordt zijn de egodenkgeest bedoelingen die achter de vorm schuilgaan, en die worden gezien en ervaren op dit egoniveau. Met als resultaat dat niets lijkt te lukken of te werken en iedereen tegen lijkt te werken.

Daarom is het belangrijk de (on)ware ego gedachtes op te sporen die schuil gaan achter de projecties die de onware gedachtes uitbeelden en daardoor ook behulpzaam kunnen zijn bij het opsporen van onware ego gedachtes, zodat deze vergeven kunnen worden. HG, je Juist-gerichte denkgeest, zal altijd je Ware Gedachtes onder al die onware omkeringen weten en bewaren, zodat als jij vergeeft en daardoor in je Juist-gerichte denken terugkomt, je dan vanuit HG Eerlijkheid kunt handelen en niet vanuit ego (on)eerlijkheid, want ego (on)eerlijkheid die gericht is op lichamen geeft altijd een vertekend beeld dat niet waar kán zijn.

Lichaamsgericht zijn is altijd een aanval, dat is de betekenis van ‘elke gedachte begint speciaal’. Als je lichaamsgericht bent zit daar altijd een speciale gedachte achter, hoe liefdevol de lichaamsgerichtheid ook lijkt te zijn. Dat wil niet zeggen dat je lichamen moet vermijden, ontkennen, afwijzen, zolang wij onszelf nog ervaren als aanwezig in een wereld, ook al is het een droom, nee integendeel, want je kunt het ook zien, als je dit weet en accepteert, als een reminder een uitnodiging, terug te keren naar de bron, de denkgeest en voor HG/J Leiding te kiezen in plaats van voor ego leiding.

Dan zal elke ontmoeting en elke vorm van communicatie onder leiding van Heilige Geest, oftewel de Juist-gerichte denkgeest staan en dan zal je in ware communicatie terechtkomen waarin geven en ontvangen echt één zijn. En dan zal alle angst verdwijnen uit elke vorm van communicatie en zal er vanuit Liefde gehandeld worden.

%d bloggers liken dit: