archiveren

Dagelijks archief: december 14, 2013

Interessant ineens een ego-overtuiging te onderscheppen die er eigenlijk altijd al was, maar zo normaal onderdeel uitmaakt van mijn ‘normale’ dagelijkse gedachtestroom ik deze nog niet eerder zo duidelijk opgemerkt had, ten minste nog nooit zo bewust duidelijk.
En dat is ‘afwijzing’. En aangezien er ook maar één ego-denkgeest is moet deze gedachte bij het hele zoonschap bekend zijn én herkenbaar.

‘De afscheiding is het idee van afwijzing. Zolang je dit onderwijst zul je erin geloven. (T6.II.18:4)’

En hoe vaak voel ik me niet afgewezen, een paar voorbeelden: als een mail niet beantwoord wordt, als iemand zijn afspraak niet na komt, als iemand te laat komt, als ik iemand naar me zie kijken, als iemand mij niet ziet, als ik niet de waardering krijg die ik denk verdient te hebben, of als ik juist wel de waardering krijg die ik niet denk verdient te hebben enz. enz. eigenlijk bij elke gedachte zit ook de gedachte van afwijzing altijd. Als ik heel eerlijk kijk en observeer als waarnemer zie ik in elke gedachte wel een vorm van afwijzing, hoe subtiel soms ook.
En het ligt zo voor de hand, bijna een basisovertuiging waaruit alle andere voort zijn gekomen.
Aan de bron ligt weer zoals bij alles de droom van afscheiding van God, uitgebeeld in oeroude verhalen, zoals de verbanning uit het paradijs, het basisverhaal voor uitbreiding van elke vorm van afwijzing.

Al observerend kom ik erachter dat bij elke gedachte die ik heb standaard, de gedachte en het gevoel van afwijzing schuilt, soms heel duidelijk, vaker verborgen en minder duidelijk.
Eigenlijk zorgt deze overtuiging van afgewezen te zijn en te worden er bij elke gedachte voor dat ik uit het ‘paradijs’ blijf, na de eerste droom van afwijzing door God.

Afwijzing als beveiliging tegen de Liefde van God.

‘Ze beseffen niet dat het afwijzen van God neerkomt op het afwijzen van hun eigen Identiteit, en in die zin is de dood het loon van de zonde. Dit dient heel letterlijk te worden verstaan: door het leven af te wijzen wordt het tegendeel ervan waargenomen, zoals alle vormen van afwijzing dat-wat-is vervangen door dat-wat-niet-is. In werkelijkheid kan niemand dit doen, maar dat je kunt denken dat je dit kunt en geloven dat je dit hebt gedaan, staat buiten kijf.
Vergeet echter niet dat het afwijzen van God onvermijdelijk uitmondt in projectie, waarbij je zult geloven dat anderen en niet jijzelf jou dit hebben aangedaan. Jij moet wel de boodschap ontvangen die je geeft, want het is de boodschap die jij wilt. Je gelooft misschien dat jij je broeders beoordeelt aan de hand van de boodschappen die zij jou geven, maar jij hebt hen beoordeeld aan de hand van de boodschap die jij hun geeft. Schrijf jouw afwijzing van vreugde niet aan hen toe, anders kun je de vonk in hen niet zien die jou vreugde zou brengen. De afwijzing van de vonk is het die depressief maakt, want iedere keer wanneer jij je broeders zonder die vonk ziet, wijs je God af.’ (T10.V.1:5-7, 2:1-5)

Zo werkt afwijzing als schild, als bescherming geprojecteerd op een buitenwereld;  als ik iets of iemand afwijs, kan de situatie of iemand mij ook geen pijn doen.
En als iets of iemand mij afwijst word ik gesterkt in het waanidee dat ik uit het paradijs gezet ben door God, en scheid mij verder af en zet zo het afwijzen zelf weer voort, naar buiten geprojecteerd in miljoenen variaties.

Enkele van die ‘creatieve’ ego oplossingen geprojecteerd in een buitenwereld, zodat ‘anderen’ de schuld krijgen, zijn bijvoorbeeld: het onmiddellijk bagatelliseren van de afwijzing; ‘ach niets van aantrekken, niet op reageren, ik heb niets gehoord, ze weten niet beter, la maar gaan, gaat vanzelf wel over, de tijd heelt alle wonden, niet meer aan denken, ga maar wat anders doen’,  het onmiddellijk in de tegenaanval gaan: ‘kan mij het schelen, ik wil er niet eens bij horen als je zo doet, ik begin wel voor mijzelf, met mijn eigen door mij gekozen mensen, die op dezelfde lijn zitten.’, of vanuit woede: ‘klootzak ik krijg je wel, jou wil ik nooit meer zien, ik zal je vernietigen al is het het laatste wat ik doe’, in de slachtofferrol schieten: ‘ze moeten altijd mij hebben,er is mij onrecht aangedaan, ik ben ook zo stom, zo onhandig, ik ben zielig, ik ben in de steek gelaten, je houd niet van me, jij moet mij troosten, of iets moet mij troosten’. Of in de assertiviteit schieten: ‘ach kop op, flink zijn, doorgaan, ik ben echt beter en sterker en slimmer dan ‘zij’, let maar eens op’, of volslagen hulpeloosheid: ‘ik weet het echt niet meer, ik ben aan het eind van mijn latijn, alles zit tegen, ik heb alles geprobeerd.’ Dat zijn zo enkele ego-reacties en ego-oplossingen die ik bedenken kan geboren uit het waanidee van afwijzing en er zijn er vast nog wel meer te ontdekken.

‘Wanneer je bang bent voor wat jij bent waardeer je het niet, en zul je het zodoende afwijzen. Het gevolg daarvan is dat je afwijzing onderwijst.’(T6.I.17:4-5)

‘Allen die in afscheiding geloven, hebben een fundamentele vergeldings en verlatingsangst. Ze geloven in aanval en afwijzing, en dat is dus wat ze waarnemen, onderwijzen en leren.’ (T6.V.B.1:1-2)

‘Telkens wanneer je een broeder een zegening ontzegt, zul jij je misdeeld voelen, omdat afwijzing even totaal is als liefde. Het is even onmogelijk een deel van het Zoonschap af te wijzen als het ten dele lief te hebben. Evenmin is het mogelijk het zo nu en dan totaal lief te hebben. Totaal toegewijd zijn kun je niet af en toe. Afwijzing heeft op zichzelf geen macht,
maar je kunt er de macht van je denkgeest aan geven, waarvan de macht onbeperkt is.’ (T7.VII.1:1-5)

Is er dan niets wat er te doen valt…..?

Ja gelukkig wel, al deze gevoelens opmerken, waarnemen, onder ogen zien zonder een enkel oordeel erover, aan Jezus geven en vergeven.
Dan worden het stuk voor stuk sleutels tot bevrijding.
Wat een bevrijding al deze miscreaties onder ogen te zien en als onschuldig te kunnen waarnemen, als niet plaatsgevonden, slechts een vergissing, een bange, maar onschuldige droom van afscheiding.
Dus iedere keer dat ik me afgewezen voel, is dat een herhaling van de afscheidings- gedachte dat God mij uit het paradijs, de Hemel heeft gezet en ik derhalve moet lijden.
Iedere keer dat ik zo’n gedachte onderschep kan ik deze ego-bron gedachte bij de wortel uittrekken door deze samen met Jezus en of de Heilige Geest te vergeven.
En vooral God vergeven dat deze mij nooit uit het paradijs/de Hemel heeft kunnen zetten.

‘Zoon van God, jij hebt niet gezondigd, maar je hebt je wel zeer vergist. Dit kan echter gecorrigeerd worden en God zal jou daarbij helpen, want Hij weet dat je niet tegen Hem zondigen kunt. Je hebt Hem afgewezen omdat je Hem liefhad, terwijl je wist dat als jij jouw liefde voor Hem zou erkennen je Hem niet zou kunnen afwijzen. Jouw afwijzing van Hem wil dan ook zeggen dat je Hem liefhebt, en dat je weet dat Hij jou liefheeft. Bedenk dat je datgene wat je afwijst eens gekend moet hebben. En als jij afwijzing accepteert, kun je ook accepteren dat die ongedaan wordt gemaakt. Je Vader heeft jou niet afgewezen.’ (T10.V.6:1-6, 7:1)

‘Laat mijn denkgeest de Gedachte van God niet afwijzen.
Wijs de Hemel niet af. Hij is van jou vandaag, mits je erom vraagt. Je hoeft niet te zien hoe groot de gave is of hoezeer je denken veranderd zal zijn, voor hij tot jou komt. Vraag om te ontvangen en hij wordt je gegeven. Hierin ligt overtuiging. Tot jij hem als het jouwe verwelkomt, blijft de onzekerheid. Maar God is rechtvaardig. Zekerheid is niet vereist om te ontvangen wat alleen jouw aanvaarding schenken kan.’ (WdI.165.4:1-8)

(Eerder geplaatst in december 2009).

%d bloggers liken dit: