archiveren

Dagelijks archief: februari 1, 2009

 

DANKBAARHEID

 

De Liefde breidt zich uit, als ik mezelf, denkgeest,

vergeef dat ik liefde buiten De Liefde kan projecteren.

‘Ik’, denkgeest, geef de projectie terug aan De Geest

waar afscheiding onmiddellijk genezen is en alleen

De Liefde IS.

De Liefde heeft niemand vergeten.

 

 

 

Enkel Liefde onderwijzen is niet de uitbreiding van het soort liefde wat iets met persoonlijkheid te maken heeft. Het gaat hier om de Liefde van God, dat wat we werkelijk zijn. En het onderwijzen daarvan gaat niet vanuit het zien van schaarste wat dan vervolgens moet worden aangevuld, maar vanuit de overvloed van wat Liefde is. En dat hoeft niet onderwezen te worden zoals in de Inleiding van ECIW staat:

‘De cursus beoogt niet de betekenis van liefde te onderwijzen, want dat gaat wat onderwezen kan worden te boven.’ (T.Inl.1:6)

Onderwijzen doen we dus allemaal en voortdurend bewust of onbewust. En wie of wat onderwijzen we dan?… onszelf. Alles is immers één. Er is ook maar één ego (ook al lijken dat er miljoenen te zijn), en één Heilige Geest en slechts één van beide vertegenwoordigd de waarheid.

Dit soort Liefde, de Liefde van God in ons allen aanwezig als grondtoon, breidt zich vanzelf uit als we de weerstand ertegen loslaten. Daar hoeven we dus niets aan te doen. En dat is tevens ook de betekenis van ‘Ik hoef niets te doen’:

 

‘Eén ogenblik samen met je broeder doorgebracht geeft jullie beiden het universum terug. Je bent voorbereid. Nu hoef jij je slechts te herinneren dat je niets hoeft te doen. Je zou er veel meer baat bij hebben je nu alleen hierop te concentreren dan erover te peinzen wat je moet doen. Wanneer ten langen leste vrede komt voor hen die worstelen met verleiding en vechten tegen het toegeven aan zonde; wanneer het licht uiteindelijk komt in de denkgeest die zich aan contemplatie heeft overgegeven; of wanneer het doel tenslotte door wie ook wordt bereikt, dan gaat dit steeds met maar één gelukkig inzicht gepaard: ‘Ik hoef niets te doen.’’ (T18.VII.5:3)

Zodra de behoefte aan liefde opspeelt, en dat gebeurt voortdurend, we zijn altijd opzoek naar liefde, in talloze vormen, komt de onbedwingbare drang naar boven actie te ondernemen. Het geloof in een individu te zijn in plaats van louter Geest houd ons gevangen in de mallemolen van het ego. En het ego ook afkomstig uit de denkgeest breidt uit wat het denkt en dat is schaarste en willen hebben een vorm van angst, een van de twee emoties die we tot onze beschikking hebben:

‘Ik heb gezegd dat je slechts twee emoties hebt: liefde en angst.’ (T13.V:1)

Een van de twee breiden we voortdurend uit… in onszelf, in geest, want er zijn geen anderen, ook al lijkt dat zo te zijn. Er is maar één denkgeest en die breidt of angst of liefde uit, afhankelijk van de soort leiding die we wensen te volgen. Volgen we de leiding van het ego dan breiden we angst uit, volgen we de leiding van de Heilige Geest dan breiden we liefde uit. En dit laatste ervaren we als wonderen, omdat het een totale omslag in de denkgeest teweeg brengt:

‘Wonderen lijken voor het ego onnatuurlijk, omdat het niet begrijpt hoe gescheiden denkgeesten elkaar kunnen beïnvloeden. Dat kunnen ze ook niet. Maar denkgeesten kunnen niet gescheiden zijn. Dit andere zelf is zich daarvan volmaakt bewust. En dus ziet het in dat wonderen niet iemand anders’ denkgeest beïnvloeden, maar alleen die van hemzelf. Ze veranderen altijd jouw denkgeest. Er is geen andere.’ (T21.5.3:6-12).

 

Wat ik nu zit te doen, deze woorden opschrijven, komt voort uit de schijnbare drang dit aan een buitenwereld mede te delen, maar in wezen is het gericht aan mijzelf, aan de éne denkgeest.

De schijnbaar afzonderlijke persoon die ik denk te zijn bestaat niet net zomin als alle andere figuren. Het zijn projecties uit de denkgeest, een denkgeest die ‘denkt’ afgescheiden te kunnen zijn van Geest, van God, van Liefde. Zodra er daar het ‘nietig dwaas idee’ was begon de gedachte van afscheiding, begon het lineaire denken en begon het projecteren. Maar dat alles maakt het net zomin ‘echt’ als een film die geprojecteerd wordt. En wij zien in onze projecties onze eigen angst of liefde terug een van de twee emoties.

Onderwijs enkel Liefde is een keuze, geen toeval. Wij kunnen kiezen door ‘ogen’ van angst (ego) of door ‘ogen’ van Liefde (Heilige Geest/Jezus) te kijken. Door onze projecties aan HG/Jte geven en te vergeven zullen ze een heel andere functie krijgen en niets ander uit kunnen breiden dan Liefde. Zodra ik mijn projecties loslaat, er geen geloof meer aan hecht, zullen de projecties gewoon verdwijnen. Ik heb ze immers gedacht, dus ik kan ze ook loslaten. Zodra ik besef dat ik door het vasthouden aan mijn projecties ook zelf de pijn instand houd, komt er ruimte voor een ander soort gedachte, ruimte voor een wonder, ruimte voor een totale omslag in de denkgeest.

 

Dus degene die ik haat is niets anders dan mijn eigen haat gedachte naar buiten geprojecteerd als ‘een iemand anders’, zodat het lijkt alsof ik het kwijt ben. Maar niets is minder waar. Het is enkel opgeborgen en diep begraven zodat het vergeten wordt. Een gedachte in een fles, die nooit meer mag ontsnappen. Maar een gedachte kan niet worden opgesloten, een gedachte is altijd vrij. En zodra ik me herinner dat ik een gedachte ben, ben ik vrij. Geen lichaam kan een gedachte opsluiten, geen enkele gedachte kan waar dan ook in opgesloten worden. Ik denk nu even aan voorbeelden zoals Nelson Mandela die hier een levend bewijs van is. Alleen een angstige gedachte kan denken dat een gevangen gedachte mogelijk is en vervolgens denken dat het waar is en die gedachte uitbreiden. Maar hoe ik het ook wendt of keer, een gedachte is een gedachte en blijft een gedachte en een projectie blijft een projectie. Daaruit volgt dat de projectie zich niet kan uitbreiden, maar de gedachte wel. En er zijn maar twee gedachtes mogelijk, gedachtes vanuit angst of gedachtes vanuit liefde.

Onderwijs enkel Liefde is de boodschap die J ons geeft. Ook hij heeft laten zien dat ook een kruisiging de geest op geen enkele manier kan beïnvloeden.

 

Zoals de Cursus stelt in de Inleiding:

‘Niets werkelijks kan bedreigd worden.

Niets onwerkelijks bestaat.

Hierin ligt de vrede van God.’

(T.Inl.2:2-4)

 

 

 

 

%d bloggers liken dit: